is toegevoegd aan uw favorieten.

Joan Derk van der Capellen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82"

Ridderschap begeven zouden worden; dat deze mede 't beheer zou voeren over 't geestelik goed in der Steden rechtsgebied, en dat de verpachting der gemene middelen ook in de Steden zou plaats hebben. De houding van de Steden is, bij voortduring, hoogst weerzinwekkend. Eerst weigeren ze op de eisen der Ridderschap te antwoorden, tenzij deze verklaren de souvereiniteitskwestie in en met de te berde gebrachte punten te hebben afgedaan; daarna laten ze een lange memorie voorlezen, om aan te tonen, dat de Souvereiniteit in hun gebied, geestelik zowel als wereldlik, aan hen vervallen is, maar weigeren zelfs afschrift te geven van dit stuk; eindelik doen ze, terwijl ze hun standpunt handhaven, een beroep op de hebzucht van de adel, door te verklaren, „dat zij wel zekere kloosteren ten platten lande, welken tot hier toe ter gemeene beschikking gestaan hadden, aan de Edelen, tot derzelver bijzonder gebruik, wilden afstaan." Of men hiermee het doel getroffen had? Zeker is, dat de twisten voorlopig aan 't luwen raakten. Maar in 1623 stond de zaak weer als 20 jaar te voren. Het quotum van Overijsel inde Generaliteitslasten werd traag opgebracht. Weer werd dit het aangrijpingspunt van de Staten-Generaal, weer stribbelden de Sleden tegen. Ten slotte spraken Hunne Hoog Mog. een vonnis uit, waarbij werd uitgemaakt, „dat de souverainiteyt, ofte het recht, het welcke den Heere van den Lande van Overijssel heeft toegecoemen voor den Oorloge, mitsgaders het recht van de Geestlyckheit, soo binnen als buyten de Steden, vervallen is aen de 't samentlycke Stenden van Overijssel, onverscheyden en onverdeelt;" privilegiën, etc, die de Steden voor de oorlog gehad hadden, moesten echter onaangetast blijven.

De Staten-Generaal nodigden nu Ridderschap en Steden uit, de uit het souvereiniteits-geschil gerezen kwestiën, binnen vier maanden in der minne uit de weg te ruimen, bij gebreke waarvan H.H.M. zelf orde op zaken zouden stellen. Deze uitspraak was een volkomen zege van 't gevoelen der edelen; alleen: zij was theorie en bleef het. Toen de edelen begonnen hun deel op te eisen in de beschikking over de kapittelgoederen te Deventer en over al het andere geestelik goed binnen 't stedelik gebied, werden zij terstond afgewezen.

De uitspraak van de Staten-Generaal werd door de Steden niet aanvaard. Wat was er aan te doen?

In 1642 barstte nog eenmaal de strijd uit. De Ridderschap wilde zich toen meester maken van het nonnenklooster bij Oldenzaal, waarin zij tegengewerkt werd door de magistraat van deze stad, achter wie de drie hoofdsteden zich plaatsten. Toen sloten 37 edelen een verbond, om de Steden te dwingen tot onderhandeling en vergelijk over de souvereiniteit, met uitslag als voren 2).

Het resultaat van een halve eeuw van strijd was dus, dat de ge-

1) Teg. st. 1, bl. 210.

2) Van Hattum, Zwolle, 111, bl. 319.