Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

456

Over zgn geschiedwerk schrijft Wicquefort:

(Van Wicquefort. Augustus (?) 16691)).

„Je croi que monsieur Hop prendra bien la peine de voir le commencement de mon histoire, s'il vous plaisait, monsieur, luy en dire un mot et mesmes qu'il disposeroit quelques-uns du magistrat des plus capables d'en juger è y passer la veue, ensuitte de quoy je pourrois publier un volume qui finiroit au traitté fait entre les couronnes du Nort en Tan 1660".

Ook in dit jaar is er een briefje, dd. 23 November

1669 uit Amsterdam, van Cornelis Tromp aan zijn „cousijn" De Witt, waarbij hij hem ter kennisneming eenige uit Weenen ontvangen berichten toezendt.

1670.

Voor dit jaar komen in de eerste plaats de brieven van Johan Boreel (cf. Brieven van De Witt, IV, blz. 67 vlg.) in aanmerking. Die uit de eerste helft van

1670 — vóór de komst van Van Beuningen *) — zgn vrij volledig aanwezig 3). Een kort résumé er van volgt:

(Van Johan Boreel. (28 December 1669) *)). Handelt o. a. over het prorogeeren van het Parle-

1) Zonder datum en plaats van afzending. Ligt bij de brieven van Augustus.

2) Brieven van De Witt, IV, blz. 68.

3) R. A., Holland vóór 1795, n°. 2816. Het is mogelijk, dat er enkele brieven tusschen schuilen, die alleen copieën van brieven aan den griffier zijn. Het is niet mogelijk dit uit te maken, omdat deze soort brieven van 1670 uit Engeland in het archief der Staten-Generaal grootendeels ontbreken. Cf. over deze aangelegenheid de Inleiding tot dit deel.

4) Dit is een eigenhandig door Boreel geschreven brief, zonder datum,

Sluiten