Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

476

openhertigh, sinceer ende solide met den anderen te procederen, by de heer Arlington niet soo seer wert geapprehendeert als het behoort, ende dat hy öff om Vranckrijck meer te menageren ófte obligeren, tsy alleen om 't werck van 't submitteren van de differenten tot een goede conclusie te brengen ofte om andere publicque ofte iak weet niet wat voor motiven, eenige diffidentie aen de syde van Haer Hoog Mog. wil doen opnemen, ofte dat men sigh door Sijn E. directie hier andersints van soodanige diffidentie wil dienen, tsy om de Spaenschen prompter tot nader resolutie te doen komen ontrent de voorsz. submissie ende ontrent de Sweetsche subsidiën, welckenaengaehde men klaeght, dat Spaigne te langhsaem gaet, tsy dat men daerdoor Haer Hoog. Mog. wil induceren, om dese Croon in 't werck van de tractaten van marine door deselve diffidentie verder tegemoet te gaen ende complaisanter te handelen als men klaeght sedert eenige tijt niet geschiet te sijn, ofte misschien, dat men acht, dat dusdanige esclaircissementerï niet behooren versoght te werden, ende dat men met punctuelijck daerop te antwoorden niet wil schynen 't versoecken van deselve te approberen. Maer ick heb reden, om in dese conjecturen eerder my te arresteren op de eerste als op de laetste, omdat soowel de gedachte heer Arlington als een heer van minder qualiteyt, die ick eenighsints als sijn organe 'considereer !), my in verscheyde tyden hebben gesproocken, alsof haer desseyn was door my Haer Hoog Mog. ontrent de bestendigheyt van de affectie van dese Coningh haerwaerts eerder ongerustheyt als confidentie te geven ende my gepersuadeert te laten, soo de laetstgenoemde my bynaé stadelijck heeft gesproocken, dat wonderlycke reflexiën gemaeckt wierden op de bewuste gedruckte goude penningh voor de heeren Gecommitteerde Raden, een schilderye van de brandt tot Chattam2), eenige Nederlandtsche Historiën ontrent den laetsten oorlogh, die seer injurieux aen de Engelschen souden sijn, odieuse ende onware passages, in de Hollandtschë couranten van tijt tot tijt

1) Joseph Williarason misschien?

2) Zie Brieven van De Witt, IV, blz. 106 vlg., en hiervóór, blz. 426.

Sluiten