is toegevoegd aan uw favorieten.

De Remonstranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

DE REMONSTRANTEN

conferentie van Maart 1611 te's-Gravenhage bijgewoond en was, terwijl een beroep naar Utrecht hangende was, 8 Februari 1612 benoemd tot hoogleeraar te Leiden op ƒ 800, na drie jaren tot ƒ 1000 verhoogd. Den 23sten Februari had hij zijn ambt aanvaard met een oratie over „de beste wijze om het rijk van Christus op te bouwen", bij welke gelegenheid enkele studenten, geneigd tot alle kwaad, zich opgewekt gevoelden om door geschreeuw en gestommel tegen den ketterschen hoogleeraar te protesteeren, onhebbelijkheid door den Senaat met kracht onderdrukt. Sinds had hij geregeld des ochtends ten 8 uren zijne colleges over de uitlegkunde des N. T, gegeven, telkens nog door beschuldigingen van ketterij geplaagd 4), Daarvan één voorbeeld, waarbij wij een lang verhaal kort zullen maken. Festus Hommius, predikant te Leiden en later een der scribae van de Dordtsehe synode, had aan Jan Grootenhuus, schepen te Amsterdam, verteld, dat Episcopiüs in eene openbare disputatie de opstanding van Christus als alleen van zedelijke beteekenis zou hebben opgevat. De man bezwaarde zich bij curatoren, die de stellingen opvroegen (ze waren van Zaterdag 7 Mei 1616), en toen bleek, dat de 9de luidde : „De glorieuse opstanding van C. is de zeer werkzame oorzaak onzer zedelijke wedergeboorte." Episcopiüs, binnengeroepen — curatoren hadden er geen gras over laten groeien : het was Zondag 8 Mei — kon gemakkelijk de rechtzinnigheid der „malitieuselijcken" geïnterpreteerde stelling aantoonen, waarop ook Festus Hommius moest binnenstaan om zelf den beklaagde te zeggen, welke bezwaren hij had. Met reden beklaagde Episcopiüs zich over zoo liefdelooze verdraaiing zijner woorden, Hommius bond wel in, maar hield toch vol, dat reeds Arrninius sociniaansch was geweest en dat ook Episcopiüs' colleges niet onverdacht waren, waarop deze weder te verstaan gaf, dat de ander „noyt sijn leven dagen sijne lessen gehoort hadde." Curatoren maakten uit, dat, goed beschouwd, beiden „in één scip waren" en zeiden Hommius, dat hij goed zou doen den bekommerden Grootenhuus gerust te stellen. Maar toen de predikant heel in Augustus nog voortging Episcopiüs voor sociniaan uit te maken, ontboden curatoren hem andermaal met Episcopiüs en vernamen toen, dat die ketterij bestond in zekere onderscheidingen, welke de hoogleeraar maakte tusschen de Schriften des O. en die des N. T., alsof het Woord gedeeld