is toegevoegd aan uw favorieten.

Johannes Colerus en de groote twisten in de Nederlandsche Luthersche kerk zijner dagen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

101

van 10 September 1685 in botsing te komen, bedachten Colerus en zijn twee collega's, dat de adviezen herstel van rechten en daardoor immers eveneens wederkeer des vredes beoogden! Zoo zullen zij geredeneerd hebben, toen zij tevens verklaarden, geenszins te willen tegenspreken de intentie der Amsterdamsche burgemeesters, die niets anders in hun besluit bedoeld hadden, dan de rust te herstellen, welke heilzame bedoeling van den magistraat niet streed tegen de adviezen. In gehoorzaamheid, — zoo eindigden zij hun afgegeven verklaring — moest men het besluit der overheid opvolgen, totdat het burgemeesters geheven mocht, ten gevolge van het inzicht, dat de theologische censuren gaven, hun onderdanen tot hun gemoedsrust en vrijheid in hun vroeger recht te herstellen. Colerus lette dus meer op de bedoeling dan op het voorschrift der burgemeesters.

Gewapend met deze verklaring en met het oordeel der academische en Frankfortsche stukken, begaven de malcontenten zich tot de burgemeesters, verzoekend, of de regeering der stad hen wilde handhaven en beschermen in de uitoefening der Luthersche religie en allen, die onder den naam van dien godsdienst Paapsgezinden en Arminianen waren, uit het bestuur der Luthersche kerk wilde weren. Want volgens resolutie van Hun Hoogmogenden, dato 27 Januari 1651 en volgens- plakkaat van het hof van Holland, dato 5 Februari 1655, werd de uitoefening der Luthersche religie in deze landen gepermitteerd. En nu verklaarden de malcontenten, dat hun religie met de Augsburgsche confessie overeenkwam; de kerkeraad daarentegen zou in een zeer essentieel punt daarvan afwijken.

Grootelijks overdreven de malcontenten. Het verschil betrof geen voornaam punt der Luthersche leer, maar een kerkrechtelijke kwestie over het kiesrecht der gemeente, waarover de Augsburgsche confessie zich niet uitspreekt. Ook de theologische faculteiten der buitenlandsche universiteiten en vooral het rninisterium van Frankfort hadden uitdrukkelijk in hun antwoord op de vijfde vraag als hun meening te kennen gegeven, dat het Amsterdamsche consistorie de evangelische leer nog niet te niet had gedaan. Deze vijfde vraag en de antwoorden daarop heten de malcontenten bij de burgemeesters dan ook wijselijk achterwege, wel begrijpend, dat het vijfde antwoord