Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s

in Januari 1640, kreeg hij opnieuw de handen vrij, bemachtigde Angola en StThomas aan de kust van Guinee, teneinde in het bezit te zijn van een goed station voor den slavenhandel, en waagde in 1644, om zijn leger bezig te houden, zelfs een tocht naar Chili. En was de tocht naai- 't sterk bevestigde San Salvador (Bahia) in 1638 al zonder succes gebleven door de heldhaftige verdediging der Portugeezen, toch mocht Je gouverneur roemen, dat dn den loop van een viertal jaren de kust van den Rio-Francisco tot voorbij het eiland Maranhao (S. Luïz.) en ver het binnenland in, de geheele landstreek aan het gezag der Compagnie was onderworpen.

Men meene niet, dat Johan Maurits in zijn zorgen voor de uitbreiding van zijn gebied, de regeling van het bestuur en de oeconomische belangen der Compagnie geheel eigen rust en liefhebberijen opofferde. Gelijk zijn onderen neef Frederik Hendrik zat hem de lust tot bouwen blijkbaar in het bloed en bij heeft in de West ruimschoots aan zijn begeerte kunnen voldoen.

Het rotsige Recief, waar aanvankelijk het bestuur gevestigd was, bleek weldra daartoe minder geschikt, waarom de Gouverneur zijn aandacht liet vallen op het westelijker gelegen eiland Antonio Vas. Met een tweetal bruggen aan 't Recief en 't vaste land verbonden, werd weldra hierop de nieuwe hoofdstad Mauritsstad gevestigd, waarbij 't grafelijk slot Vrijburg zijn tinnen hoog in de lucht verhief en waarvan de beide torens neerzagen op de snel ontwikkelende stad, die de plaats innam van de ellendige hutten van 't voormalige Pernambuco. Wel had de Compagnie voor dit . alles geen cent overgehad, doch Johan Maurits tastte zelf uit ruime beurs. Het is waar, zijn inkomen, bestaande uit f1500 's maands, vrije tafel voor zich en zijn gevolg en twee percent van den krijgsbuit, was niet voldoende om deze kosten te bestrijden, doch hij zelf had uitgebreide handelsvoordeelen, die hem tot dit alles in staat stelden.

Zoo was het mogelijk, dat hij, die kunst en wetenschap een goed hart toedroeg, deze in zijn nieuw gewest uit eigen middelen krachtdadig kon steunen. Want behalve zijin lijfarts Piso had de bewindhebber, Johan de Laet, uit Leiden, die zelf een liefhebber der natuurwetenschappen was, hem den Duitschen natuurkundige Marcgraf medegegeven, die uitgebreide onderzoekingen deed, welke den grondslag vormden van een voor dien tijd zeer hoogstaand werk: „Historia Na.turalis Birasiliae", waarvan het handschrift eerst aan de Laet, weldra aan

Johan Maurits, doch later aan den Pruisischen koning behoorde. (Van Kampen: Gesch. der Nederl. buiten Europa f. 427).

Maar de Gouverneur bleek voor de Compagnie wel wat duur: zijn stichtingen en hervormingen eiscbten belangrijke „baten", die zoo al niet door de Compagnie opgebracht, dan toch door haar landen geleverd moesten worden. In 1644 legde de landvoogd zijin waardigheid neer, teleurgesteld in het welslagen van zijn pogingen, tegengewerkt door Artischofsky in zijn militaire, door de Compagnie in zijin staatkundige plannen, terwijl zijn vredelievende, verdraagzame opvattingen ten opzichte der drie kerkgenootschappen, Katholieken, Protestanten en Joden, door ijverende Calvinistische predikanten uit den booze werden geacht en die zelf op hun manier meewerkten tot een verbittering tegen de Compagnie, welke haar va! m Brazilië zoo al niet verhaastte, dan toch gewisser maakte.

Den 22en Mei 1644 verliet Johan Maurits Brazilië en eenige weken daarna werd op de reede van Tessel het anker uitgeworpen. Doch de landvoogd zelf was onderweg door ziekte aangetast, die hem noopte, nog eenigen tijd in den Heider te verblijven, vanwaar hij evenwel zoo spoedig mogelijk naar den Haag afreisde, waarheen een rijke lading Braziliaansche kunstvoorwerpen en zeldzaamheden, opgezette vogels, huiden, visschen, huisraad van inlanders, wapens, gesneden ivoor, kostbare houtsoorten, suiker, goud, tabak, verduurzaamde vruchten, samen voor een waarde van 21/, millioen gulden, hem vergezelde, van welke schatten later een deel aan de Leidsche anatomiekamer werd afgestaan.

Het was niet alleen bewondering voor de kostbare vrachten hout en zeldzaamheden, die de belangstelling van heel den Haag in den persoon van Johan Maurits gaande maakte, zijn beminnelijk karakter, zijn deugd en bovenal zijn toewijding aan de zaak van 't Vaderland zal menigeen op de been hebben gebracht, toen hij in de Hofstad statig werd ontvangen door de Staten-Generaal en de Bewindhebbers der "Compagnie, die hem dank zegden voor wat bijl voor dat lichaam gedaan had. En inderdaad, wel was men hem erkentelijkheid verschuldigd — maar voor de Compagnie, die hem herhaaldelijk had gedwarsboomd, die hem ten slotte tot de thuisreis had genoopt, was 't weinig meer dan een holle phrase.

Zoo was Johan Maurits dus' weer Hagenaar geworden. Niet evenwel in dien zin, dat bijl meedeed aan het mondaine leven van den rijken patriciër, van den weinig talrijken Hollandschen adel, die Fransche zeden en gewoonten had over-

Sluiten