Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

772

ontstond in dat deel der oude Koro-bedding het evengenoemde moerasje, een merkwaardig hydrographisch evenwichtspunt alweer, nu in een secundaire waterscheiding.

Opvallend is, dat het oude Koro-bed ten N. van den Karatamberug bijna 400 M. lager ligt. Wellicht was in het jong-plioceen, vóór de laatste hooge opheffing van Midden Celebes, het groote verval tusschen den B. Karatambe over den B. Loë naar de waterscheiding der S. Lempi.

Steil opstijgend over epidootchlorietschist, bedekt met een dun humusdek, tot ± 580 M., zagen wij weldra de S. Lampo beneden ons, welke ook al de Koro Z.waarts tegemoet stroomt. Op een hoogte van ± 480 M. waren wij tot haar afgedaald; ook naar het W. wordt haar diep ingelegd bed door een hoogen rotswand afgezet. Over en langs de rotsen en rotsblokken bruiste en spatte het niet heldere water, terwijl de zonnestralen, door het dichte, dunstammige woud dringend, lichtplekken wierpen op het bergriviertje. In deze zeer romantische omgeving hielden wij halt om op de groote rolblokken gezeten te middagmalen.

De rotsblokken bestonden uit groote, scherpkantige stukken groene epidootchlorietschist en kleinere afgeronde stukken graniet; ook was er veel granietzand in de bedding. Van. de rolsteenen werden verzameld: biotietgraniet (1326, dicht, wit, zwart-doorspikkeld; en 1328, porfierisch, met diaclazen en wrijvingsvlakken), apliet (1329a, fijnkorrelig, zuiver wit), biotietgneis (1325, fijnkorrelig, uit graniet ontstaan), gesaussurietiseerde gabbro (1322, met rhombische pyroxeen, groenachtigblauw-en-wit-geteekend, klein-grofkorrelig, de veldspaat in reliëf uitstekend), zobteniet (1323, groenachtigzwart en wit, grof kristallijn, onduidelijk gelaagd), amfiboliet (1324, als de vorige gekleurd, doch duidelijk gelaagd; en 1327, vrijwel plat- en dun-gelaagd), en biotietlipariet (1329^, lichtrose en wit, fijnkorrelig).

De laatste rotssoort, te midden der dieptegesteenten en daaruit ontstane gneizen, was dus, in kleine rolsteenen, het eenige zure effusiefgesteente. Opvallend dat dit weder niet ontbrak! Ook de serie 1322—1324, welke eene geleidelijke overgang van gabbro tot amfiboliet illustreert, verdient alle aandacht. En door deze vondsten komt tevens de beteekenis van de epidootchlorietschist des te duidelijker uit, doch als zoodanig herkenbare diabaas- en diabaastufgesteenten werden niet aangetroffen.

Sluiten