is toegevoegd aan je favorieten.

Verzameling van Nederlandsch-Indische rechtspraak en rechtsliteratuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kort geding.

In het kort geding moet integendeel, onafhankelijk van de eerste beslissing, andermaal worden onderzocht of er goede reden is voor vrees voor verduistering, welke vraag ter vrije beoordeeling staat van den rechter, die daarbij niet aan wettelijke bewijsregelen is gebonden.

Pres. RvJ. Batavia 22 Januari 19x2 bekr. door HGHof 3 October 1912. T. 09» blx. 304.

8. Indien in kort geding van meer gedaagden één of meer niet verschijnen, kan tegen de niet verschenen gedaagden geen verstek worden verleend. Dit zou zijn in strijd met den aard van deze procedure, waarmede wordt beoogd een onverwijlde voorziening.

De kosten op het kort geding gevallen, kunnen niet worden gereserveerd.

Wd. Pres. RvJ. Soerabaia 18 Mei 19x2. T. 99, blx. 191. Met Naschrift der Red.

9. De pres. is in kort geding slechts bevoegd tot beslissingen bij voorraad, die niet praejudicieeren op de principale zaak.

Wd. Pres. RvJ. Soerabaia 31 Juli 1912. T. 99, bis. 197.

10. De Pres. van den RvJ. is niet bevoegd om in kort geding kennis te nemen van een eisch tot opheffing van een overeenkomstig de artt. 823 en 840 Rv. op de goederen der huwelijksgemeenschap gelegd conservatoir beslag.

Wd. Pres. RvJ. Soerabaia 14 Augustus 191a. T. 99, bis. 277.

11. Aangenomen dat de beslagen onder derden in strijd mét het verleende verlof gelegd zijn, dan behoort toch de beslissing omtrent hunne onrechtmatigheid, als rakende de zaak ten principale, niet tot de bevoegdheid van den President.

Pres. RvJ. Semarang 20 Januari 1913, T. 99, bis. 457.

12. Behoudens uitdrukkelijk voorziene gevallen, mogen beslissingen in kort geding steeds slechts een voorloopig karakter dragen. Wat de hoofdzaak betreft, behoort daardoor alles in zijn geheel te blijven.

HGHof 3 Juli 1913. T. 100, bis. 489.

13. De rechter in kort geding mag, ter beoordeeling van de urgentie der van hem gevraagde voorziening, in een sumier onderzoek treden naar de juistheid der ten principale aangevoerde gronden.

De rechter in kort geding, van oordeel, dat het belang van alle partijen schorsing der tenuitvoerlegging medebrengt, is, door daarop zijne beslissing te gronden, niet gekomen in strijd met de wet.

In dergelijk geval moeten de belangen van partijen, de eene bij de schor* sing, de andere bij de niet-schorsing, tegen elkander worden afgewogen, terwijl het belang, dat het zwaarst weegt, den doorslag moet geven.

HGHof 31 Juli 1913. T. 101, bis. 54, W. 3508.