is toegevoegd aan je favorieten.

Verzameling van Nederlandsch-Indische rechtspraak en rechtsliteratuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderwerping aan het Europeesche recht.

art. 13 A. B. gesteld is, moet worden afgeleid, dat de onderteekenaars zich ook als avalgevers aan het eur. recht hebben onderworpen.

RvJ. Batavia 19 Juli 1912. T. 100, blz. 199, W. 2489.

5. Op grond van uit eene akte zelve blijkende omstandigheden mag stilzwijgende rechtsgeldige onderwerping aan de eur. wetgeving door een Inlander, ter zake van de bij die akte aangegane verbintenis, worden aangenomen.

Art. 13 A. B. schrijft alleen voor, dat de wil tot zoodanige onderwerping uit de akte ondubbelzinnig blijke.

HGHof 15 Mei 1913. Met Naschrift der Red. T. 100, blz. 207 en 219, W. 2500.

6. De bevoegdheid den Inlander gegeven om zich kr. art. 11 A.B. aan het eur. recht te onderwerpen, vindt t. a. van de daaruit voortvloeiende wijziging van het forum des onderwerpers, hare beperking in die gevallen, waarin den onderwerper het recht niet kan worden toegekend zich aan den hem gegeven dagelijkschen rechter door eenvoudige wilsverklaring te onttrekken.

Dit is het geval t. a. van een Inlander, onderdaan en bloedverwant in den 3en graad van den Soesoehoenan van Soerakarta, die zich, binnen het rechtsgebied van dien vorst wonende, terzake van een door hem geteekend orderbiljet aan het eur. recht heeft onderworpen, omdat waar bij § 1 sub. c van art. 2 S. 1903 n°. 8 — tot stand gekomen kr. de met dien vorst verkregen overeenstemming — de rechtsmacht over die categorie van personen met uitsluiting der gouvernementsrechtbanken aan dien vorst bleef opgedragen, zoodat het recht diens overige onderdanen gegeven bij S. 1911 n°. 569 om zich aan het eur. recht te onderwerpen, voor de bovengemelde bloedverwanten niet geldt, als zijnde onbestaanbaar met het aan den vorst gelaten recht. (Art. 27. 2 R. R.)

HGHof 23 Juli 1914. T. 103, blz. 319.

7. De F.V. is niet op den Inlander toepasselijk.

De omstandigheid, dat deze zich bij de oprichting der naamlooze vennootschap, als welker directeur hij de betrekkelijke schulden heeft aangegaan, aan het Eur. recht heeft onderworpen doet niet ter zake, aangezien dit op zijn persoonlijken rechtstoestand, nu het verzoek tot faillietverklaring hem in privé betreft, geenerlei invloed heeft.

HGHof 15 April 1915. T. 104, blz. 543.

8. Zelfs al staat tusschen partijen het feit der onderwerping aan de Eur. wetgeving als niet onbetwist vast, mag de rechter er geen rekening mee houden, voordat van die onderwerping in rechten is gebleken door overlegging der daarvan opgemaakte akte.