is toegevoegd aan je favorieten.

De Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wordt de belasting ingevolge artikel 6, tweede lid, geheven wegens vermeerdering van inkomen of winst over een korter tijdvak dan een jaar, dan komt voor de in het eerste lid onder a en b genoemde som van f 2500 in de plaats een som van f 205, voor de in dat lid genoemde som van f 1000 een som van f80 en voor de in dat lid genoemde som van f2000 een som van f 165, voor iedere maand of gedeelte daarvan, in dat tijdperk begrepen.

De belasting bedraagt 10 pet. van het bij het eerste lid bedoelde bedrag, wanneer dit is gevonden na aftrek van f 1000 per jaar of f80 per maand, en 30 pet. van het bij dat lid bedoelde bedrag, wanneer het is gevonden door aftrek van f 2000 per jaar of f165 per maand.

Aan de vaststelling van dit artikel in zijn tegenwoordigen vorm is een lange geschiedenis voorafgegaan.

Door de Staatscommissie werd voorgesteld de belasting te stellen op 25 0/o van het bedrag waarmede de vermeerdering van het inkomen of de winst fiooo te boven gaat, met dien verstande echter dat voor binnen het Rijk wonende natuurlijke personen, indien de vermeerdering minder dan f 20.000 bedraagt, het tarief voor elke f 100 waarmede de vermeerdering beneden f 20.000 blijft, met 1/10 percent zoude dalen, doch niet beneden 10 °/0.

De Minister week in twee opzichten af van het voorstel der Commissie. Vooreerst bracht hij het standaard-percentage der heffing op 30 percent, met het oog op den buitengewonen steun, aan verschillende gemeenten te verleenen, omtrent welken steun een bepaling aan het artikel werd toegevoegd. (Zie het Algemeen Overzicht, bl. 22, 23.). Verder werd het algemeene aftrekgetal, ten einde voor de administratie het werk te vereenvoudigen, verhoogd van fiooo op f2000, waartegenover de door de Commissie voorgestelde degressie voor de kleinere oorlogswinsten kwam te vervallen. Zie M v. T., bl. 5. 6.

In de afdeelingen verklaarden zich vele leden voor een vrijstelling van slechts f 1000. Men meende, dat de moeilijkheid voor de administratie niet noemenswaard grooter zou zijn dan bij een aftrek van f 2000 en dat oorlogswinsten van een bedrag tusschen f 1000 en f2000, waarvan er waarschijnlijk vooral in den landbouw vele behaald zouden zijn, billijkerwijze zeer wel door de belasting konden worden getroffen. Zie V. V. II, bl. 7, 8.

Deze bezwaren maakten indruk op den Minister en zoo werd bij het gewijzigd ontwerp het vrijgestelde bedrag weder op f 1000 teruggebracht, terwijl door het stellen van een lager tarief voor de belasting der kleinere oorlogswinsten (zie het vijfde lid van het artikel) voorkomen werd, dat deze te zwaar zouden worden getroffen. Tevens werd de bepaling omtrent steun aan gemeenten geschrapt.