is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, door wier woongebied ze liepen, had getoond, dat ze hun pijnlijk waren. Evenmin blijkt iets van pogingen om zich los te maken uit het rijk: geen opstand van Saksen of Friezen; de band om de stammen geslagen drukte niet.

Bovendien het centraal gezag in het rijk en in de deelrijken verzwakte. De capitularien namen af in aantal; in de 2e helft der 9e eeuw werden ze een zeldzaamheid. De rijksinspectie kwam tot stilstand. Reeds in 825 hadden de rapporten der missi den keizer doen inzien, dat een hun gegeven aanmaning om de dragers van pubhek gezag niet door noodelooze tusschenkomst tegen te werken, op gansch verkeerde onderstellingen rustte. Graven, leenheeren, immuniteitsheeren en hun voogden stonden reeds sterk genoeg, weldra ook wettelijk niet erkende machten. Wat achter deze allen in de verte de koningen deden, was voor het volk steeds minder een zaak van belang of bekngstelling. Men ging weer leven in kleine kringen, waarbinnen voortdurend minder een koning doordrong.

Zoo ergens, dan moest men in ons land wel vroegtijdig het gevoel krijgen in den steek te worden gelaten door het rijk. In Friesland had men al in het begin der 9e eeuw last van de Noormannen. De eerste groote inval, waarvan bericht wordt, valt nog onder Karei den Gr. (810) en men zou haast de, overigens niet bijster vertrouwbare, overlevering kunnen gelooven, dat hij dekrijgsplicht der Friezen zou hebben verlicht, opdat zij zouden waken aan het strand, „toienst dyn noerdkoninckende toienst dyn wylda wisingh" (viking). Het rijk, zonder vloot en zonder mobiele troepen, lag zoo goed als weerloos tegen de piraten. Aanbouw van vaartuigen en inrichting van een wachtdienst waren slechts kortstondige improvisaties. De schepen gaven den roovers in het waterrijke land de keus voor het punt van aanval en tegenover een te hoop loopende bevolking zoo noodig een plaats van ontwijk. Het sterkst trok hen Dorestad, het uitgestrekte koopmansvlek aan den Krommen Rijn *): van 834 tot '37 is het 4 maal geplunderd. De keizer kwam in 837 zelf naar Nijmegen en stuurde doortastende graven en abten om de gedemoraliseerde lcustbevolking militair te organiseeren en haar veerkracht te spannen; in 838 verscheen

*) Gosses, De oude kern van het bisdom Utrecht, Histor. Avonden III (Gron. 1917), 36.