is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijsel echter was 'shertogs macht sterk getaand; de IJselsteden waren hem afgevallen en evenals de Staten van het Nedersticht stonden ze nu aan den kant van Hendrik van Beieren. In Dec. '24 sloot hij met den elect — tot bisschop gewijd is Hendrik van Beieren nooit — een verdrag, waarbij hij zijn gedeprecieerde aanspraken op Overijsel (met uitzondering van Diepenheim) voor een groote schadevergoeding afstond. Ze werd hem op tijd en ten volle betaald. Misschien ware eenige mindere nauwgezetheid hem liever geweest, want zijn staatkunde tegenover zijn buren berustte niet op volkomen correcte verhoudingen.

Doch de zwarebelasting en voor deze schadeloosstelling leidden tot „commotien" binnen Utrecht. Gilden, geestelijkheid en ridders uitten er hun wantrouwen over het geldelijk beheer van den patricischen raad en deze moest in '25 wijken voor een oploop. Onder het nieuw ingestelde stadsbewind echter kregen de gilden weldra den boventoon; met instemming van den elect dreven zij verregaande eischen door1). Dientengevolge nogmaals een omwenteling, in '26. Kapittelheeren „int harnas", ridders en een deel der burgers versloegen hun tegenstanders in een straatgevecht en stelden een raad samen van hun eigen kleur. Het was tevens de kleur van de Staten van het Nedersticht, die immers bestonden uit kapittels, ridderschap, Utrecht en de kleine steden.

De elect vond bijna nergens in het Nedersticht gehoorzaamheid meer; toen hij in '27 met gewapenden voor Utrecht verscheen, weigerde men hem den toegang. Een paar dagen later werd er Geldersche ruiterij binnengelaten. Als men vreemde hulp noodig had, leek Geldersche altijd toch nog minder gevaarlijk dan Hollandsche. De sternming trouwens was in het Nedersticht over het geheel zeer ongunstig tegenover Holland; sedert men in '24 den vandaar uit aanbevolen bisschop geweigerd had, waren de eeuwigdurende waterstaatsgeschillen met dit gewest aanhoudend in hatelijkheid toegenomen.

In dezelfde dagen hervatte Karei van Gelre zijn aanslagen op Overijsel. De drie groote steden, ernstig in gevaar, vroegen den elect om hulp, maar deze had niets te geven. Integendeel, met eigen middelen zou hij niet kunnen voorkomen, dat zijn tegenstanders in het Nedersticht hem feitelijk afzetten en den hertog

') Vgl. Joosting, Charters betr. de gildebeweging te Utrecht in 1525 (Versl. en Meded. Oude Vaderl. Rechtsbronnen, IV 501).