is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke mislukking kunnen noemen, bedacht men niet bijtijds, dat hier krachten in het spel waren, die niemand kon bedwingen. Tenzij misschien — en dan voor hoe lang! —een overweldiger! Voor ons ligt Oranje's grootheid juist hierin, dat hij geweld vermeden heeft, behalve tegen den vijand van buiten. Zoo gaf hij de nationale ontwikkeling vrije baan en deze bracht in het staatkundige de Staten naar voren, naast welke een souverein gezag toen zeer moeilijk bestaanbaar bleek. Misschien ware het met graaf Willem en de Hollandsche Staten goed gegaan. In elk geval ware voor de toekomst de omschrijving der macht van de Oranjeprinsen, zooals de grafelijkheidsoorkonde deze medebracht, verre te verkiezen geweest boven de onomschreven positie, waarin de Staten en Willem's zoons1), tot elkander kwamen te staan. Dit is het meest positieve, nadeelige gevolg van de nationale ramp: Oranje's vermoording. De Staten-Generaal, te Delft bijeen, en de Staten van Holland, die hunne vergadering op den moorddag uit Den Haag naar het Delftsche stadhuis overbrachten, verkondigden luide, dat zij ook zonder hun voorganger den strijd zouden voortzetten. Dit was de beste hulde, die de door hem groot gewordenen hem konden brengen. En zij, vooral de Hollandsche, hebben woord gehouden.

Literatuur: J. A. G. C. Trosee, Het verraad van George Lalaing, Graaf van Rennenburg enz. ('s Hert., 1894); P. L. Muller, Bijdragen tot de Scheiding van Noord-en Zuid-Nederland (Bijdr. Vad. Gesch. III', 247 en 349; III", 339; IV*, 42 en 272; IV*, 1); dez., Geschiedenis der Regeering der Nader Geünieerde Provinciën, (1579—

1583 (Leiden, 1867); dez., Prins Willem I en Frankrijk (in P. L. Muller's Verspr. Geschr.); M. Philippson, Ein Ministerium unter Philip II. Kardinal Granvella am Spanischen Hoft, 1379—1586 (Berlin, 1893); Japikse, Onafhankelijkheidsdag 26 Juli 1581) in Bijdr,Vad. Gesch. V, 213); S. Muller Fz., De oprichting van het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht (in Bijdr. en Med. H. G., X, 339).; Slothouwer, De wording van het college van Gedeputeerde Staten in Friesland (in Vrije Fries, XVII, 167); D. G. Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke Goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale Recht, I (Utrecht, 1905; cf. Onze Eeuw, VI', 444); J. L. van Apeldoorn, De kerkelijke Goederen in Friesland, 2 dln. (Leeuwarden, 1915); J. S. van Veen, De afval van Graaf Willem van den Bergh (in Bijdr. en Med. Gelre, IV, 229); J. Huizinga, De vergadering der Staten-Generaal op 10 Juli

1584 na den noen (in Bijdr. Vad. Gesch., IV', 361); Fruin, De oude Verhalen over den moord van Prins Willem I (in Verspr. Geschr., III, 64; cf. VIII 404); Bakhui* zen van den Brink, De confessie van den moordenaar (in Cartons, II, 212).

*) Oranje liet 3 zoons en 9 dochters na: uit het eerste huwelijk met Anna van Buren waren Philips Willem en ééne dochter; uit het tweede met Anna van Saksen (f 1577) Maurits (geb. 13 Nov. 1567) en twee dochters; uit het derde met Charlotte de Bourbon (t 1582) zes dochters; uit het vierde met Louise de Coligny, een dochter van den admiraal de Coligny, Frederik Hendrik (geb. 12 Juni 1584). Zie verder Blok in Nieuw Ned.-Biogr Wdb., I, 1545. — De correspondentie van Willem's laatste vrouw is uitgegeven door P. Marchegay (cf. Fruin, Verspr. Geschr., IX, 46).