is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gevecht bij Amersfoort (1585) Adolf, graaf van Nieuwenaar, den opvolger van Van den Berg in Gelderland. Ook door de Staten van Overijsel, die het na Rennenberg's verraad eenige jaren zonder stadhouder gesteld hadden, was Nieuwenaar in 1584 gekozen. Die van Friesland stelden Willem Lodewijk, zoon van Jan van Nassau, aan, die hier sedert Februari 1584 als Oranje's luitenant gefungeerd had. Had het Spaansche gevaar niet gedreigd, wie weet, of de gewestehjke Staten niet het geheele stadhoudersambt onvervuld gelaten hadden. Maar Parma naderde bedenkelijk: in Maart 1585 gaf Nijmegen zich op voor de stad voordeelige voorwaarden over; spoedig volgde Doesburg. Men moest toch iemand hebben, om de verdediging te leiden! Maar is het niet hoogst opmerkelijk, dat Holland en Zeeland wachtten tot November 1585, vóórdat zij een stadhouder aanstelden ? Maurits kreeg toen tevens den titel van Prins van Oranje — ofschoon deze aan Phihps Willem rechtens toekwam. De benoeming schijnt ten slotte vergemakkelijkt te zijn door de aanstaande komst van Leicester. Er bestond vrees, dat deze het ambt, indien het niet vervuld was, voor zich zou eischen.

De buitenlandsche pohtiek werd een voortzetting van die van Oranje. Overeenkomstig het verdrag van Chateau Thierry had deze zelf na Anjou's dood geraden de souvereiniteit aan koning Hendrik III op te dragen. Toch ontmoette deze raad vrij veel tegenstand. Er deden zich stemmen hooren— vooral die van Holland's landsadvocaat Buys — om zich niet tot Frankrijk, maar tot Engeland te wenden. Ook hoorde men zwakjes de meening uiten, dat men zich niet tot vreemden met souvereiniteitsaanbiedingen moest wenden, maar in de allereerste plaats op eigen krachten steunen; o.a. verdedigde Gouda deze opvatting *). Eerst in December 1584 besloten de Staten-Generaal tot de opdracht aan Hendrik III en zelfs hadden Holland en Zeeland — nadat men gemerkt had, dat hierop in Frankrijk groote prijs gesteld werd — er in toegestemd dit nu geheel opgehjken voet met de andere gewesten te doen. Maar Hendrik III weigerde de opdracht (Maart 1585); deze Fransche koning, die steeds aarzelend in zijne pohtiek tegenover de Nederlanden geweest was, durfde nu den

l) Ook in het meer genoemde pamflet bij Eppens (II, 102).