is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor Fraiikrijk voordeeligen vrede gedwongen te hebben; zoo uitte hij zich zelf in den herfst van 1650, toen hij inderdaad zijn gezag in de Unie versterkt had. Plannen vol gevaren en waarin men tevergeefs zoekt naar het wezenlijk Nederlandsch belang. Dit werd stellig toen beter gediend door de pohtiek van Holland, waarvan het behoud van den vrede tot verdere ontwildteling van den handel de grondslag vormde.

Het diepgaande verschil van opvatting over de buitenlandsche pohtiek, al waren de grootsche plannen van Willem II aan de regenten niet bekend, beheerscht toch eigenlijk het het félst naar buiten uitslaande conflict: dat over de afdanking van troepen, de „menage" (bezuiniging), zooals men het toen noemde. Het was het eenige middel, om den zwaren schuldenlast (/ 140.000.000 a 5 % voor Holland *)) te verminderen. Er bestond dan ook geen verschil van meening over, dat het leger, in 1648 bestaande uit ruim 55.000 man (68 eskadrons cavalerie en 470 compagnieën infanterie), verkleind moest worden. De moeilijkheid lag alleen in het: tot hoe ver? Zonder veel wrijving werd in Juh 1648 een afdanking van 50 man per compagnie infanterie aangenomen, wat het leger op 32.000 man en een bezuiniging van ruim 3 rnühoen per jaar bracht. Maar spoedig gaf Holland te kennen, dat het nog niet tevreden was. Het weigerde de oorlogspetitie voor 1649, waarin de nu bestaande legermacht gehandhaafd werd, goed te keuren. Inden herfst van 1649 deed het na breedvoerige beraadslagingen, ook met den Prins, zelf voorstellen, waarvan de hoofdzaak was, dat nog zouden worden afgedankt 50 compagnieën, te nemen uit de vreemde (Fransche, Engelsche, Schotsche en Duitsche) regimenten, terwijl verder alle regimenten op 10 compagnieën zouden teruggebracht worden, wat de opheffing van nog 25 compagnieën ten gevolge zou hebben; verder zou de helft der ruiterij naar huis gezonden worden. De Prins zijnerzijds kwam Holland tegemoet door voor te stellen, dat twaalf compagnieën ruiters zouden worden afgedankt en de andere op 45 man gereduceerd, terwijl alle vreemde regimenten op 45 en alle inheemschè op 60 man teruggebracht zouden worden. Het verschil tusschen beide voorstellen bestond minder in de hoeveelheid dan in den

*) Een nieuwe reductie (cf. p. n2) was in 1640 doorgezet; voor de Generaliteit geschiedde dit in 1649 (ook op 5 %). Dit ging toen gemakkelijk, omdat de Staten-obligatien ten allen tijde a pari aan de landskantoren inlosbaar waren en dus ieder, wanneer hij wilde, zijn geld kon terugvorderen. •