is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— te veel, naar het schijnt—af. In Duitschland en bij de Noord* sche hoven werden in deze jaren in het geheel geen betrekkingen van beteekenis onderhouden. De zending van Pieter de Groot naar Zweden (1668—'69) had geen resultaat en Zweden toonde ook weldra neiging, om naar de Fransche zijde over te gaan. Eerst in het begin van 1672 ontwikkelden de Staten een levendige diplomatieke werkzaamheid door gezanten af te vaardigen naar de Skandinavische landen, naar Brandenburg en kleinere Duitsche hoven — wat heel laat!

Het lijdelijke in der Staten houding treft nog meer in hunne maatregelen ten opzichte van de landsdefensie. De in 1668 geworven troepen werden na den vrede van Aken afgedankt. Aandrang van den Raad van State bij de petitito voor 1669 en 1670, om de landsverdediging beter te verzorgen, bleef onverhoord. Men vertrouwde er op, dat men in een landoorlog altijd wel middelen zou vinden, om den vijand af te weren! Groote zorgeloosheid spreekt uit zulk een opvatting. Eerst in het najaar van 1670 — onder den indruk van den inval van Lodewijk XIV in Lotharingen, die het begin scheen van een nieuwen, grooten oorlog in Europa — kwam er wat meer actie. Maar ernstige twisten in Holland tusschen Amsterdan en de andere steden onder aanvoering van Rotterdam, die zich over Amsterdam's heerschzucht beklaagden, stonden toen belemmerend in den weg. Ook tusschen Amsterdam en De Witt heeft het nooit zoo gespookt als in dien tijd. Er vormde zich een bepaalde antiWittiaansche partij in de stad; er werd een plan opgeworpen, om De Wttfs macht te verminderen door hem het beleid der buitenlandsche zaken te ontnemen en hiertoe een afzonderlijken post in te stellen (waarvoor men het oog op Van Beuningen had). Het geschil tusschen den raadpensionaris en de stad kwam zeer duidelijk uit bij de tenuitvoerlegging van de acte van harmonie tusschen de gewesten, die eindelijk haar beslag had gekregen (Maart 1670)'; Valckenkr zette toen tegen De Witfs zin in Holland door, dat de Prins in den Raad van State onmiddellijk een mede-beslissende stem — dus niet een bloot adviseerende — zou krijgen, zooals ook de andere gewesten wilden. Twee jaren vroeger — bij zijn meerderjarigheidswording — hadden de Staten van Zeeland hem reeds bij een bezoek aan Middelburg als eersten edele erkend en zijn vertegenwoordiger,