is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meen de „Nieuwe Plooi" genoemd, stond dus het dichtst bij de ware „vrijheid" en werd door Holland, dat, evenals de StatenGeneraal, trachtte te bemiddelen, het meest begunstigd; de „Oude Plooi" legde het eerst na vrij krachtig verzet af (1706). De terugkeer van de ongebreidelde regenten-heerschappij, zoo zonder eenige oppositie — nog wel na de ondervinding van 1672! — is een merkwaardig verschijnsel. Hier moet de druk van den tijd van Willem III ter verklaring in rekening gebracht worden. Maar ook: daar men de Staten-regeering als zoodanig niet wilde missen, was het zeer moeilijk, om na Willem's dood iets beters te bewerkstelligen. Johan Willem Friso was weinig bekend en nog zoo jong. De regenten hadden geen moeite hem achteraf te doen bhjven. Toen hij in 1707 als generaal der infanterie optrad (hij was in 1704 hiertoe gedesigneerd), besloten de Staten-Generaal op voorstel van Holland, gesteund door Zeeland, Utrecht en Overijsel, om „hangende de dehberatiën" aan geen stadhouder zitting in den Raad van State toe te staan1). Een krassere houding dan in 1670! Het valt dan ook moeilijk te zeggen, of Friso, ware hij niet verdronken (17x1; bij het oversteken van het Hollandsch Diep bij den Moerdijk), voorloopig veel te zijnen gunste zou hebben mogen verwachten. In elk geval hadden de regenten sedert 1711 de baan geheel vrij. In Den Haag sedert 1702 geen spoor van een stadhouderlijk Hof, te Leeuwarden alleen Maria Louise van Hessen-Kassei •), Friso's jonge weduwe, moeder van diens posthumen zoon Willem Karei Hendrik Friso. Zeer bemind was deze eenvoudige, sympathieke prinses in hare Noordelijke omgeving: zij fungeerde er als „gouvernante" voor haren zoon, die, krachtens erfrecht stadhouder in Friesland, in 1718 in Groningen, in 1722 ook in Drente gekozen werd; maar merkbaren invloed op de algemeene landszaken had zij niet. Zonder eenige tegenkanting bleef de bestaande regeering ook na den vrede van Utrecht aan. Heinsius moge hard gevallen zijn over den weinig gunstigen afloop van den successie-oorlog, dien hij zich zelf ook ter dege aantrok, hij behield zijn post.

De regeering kreeg nu twee gevolgen van den oorlog te reahseeren: de hooge schuldenlast ; de barrière-regeling. Beide zaken stelden haar voor groote moeilijkheden. Men had sedert 1672

*) Res. Staten-Generaal 4 Aug. 1707 (R. A.).

*) Zie over „Marijke-Meu" Jorissen, Hist. Bladen, I.