is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die tevens van Engelsche zijde beoogd werd. Zelf nam hij een zending naar Weenen op zich. Maar hij stiet op een groote moeilijkheid, omdat Maria Theresia zich niet bereid toonde de regeling van de barrière, te Aken voor nadere onderhandelingen voorbehouden, op denzelfden voet als in 1715 te herstellen; noch van de financieele verplichtingen noch van de tariefbegunstiging wilde zij hooren. Bentinck had slechts in één opzicht succes op deze zending: hij bewoog Ernst Lodewijk, hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, toen in Oostenrijkschen dienst, met toestemming van de Keizerin naar Nederland te komen, waar hij tot veldmaarschalk werd benoemd (1750). Brunswijk zou dienen tot bemiddelaar bij Oostenrijk en tevens tot steun voor het Oranje-huis in de Repubhek. In deze dingen ging Willem IV: met hem mede; alleen legde deze ook neiging aan den dag, wat. vooral tijdens Bentinck's afwezigheid uitkwam, om dè betrekkingen met Frankrijk niet geheel te verwaarloozen. Een definitieve beslissing over de buitenlandsche pohtiek was, als over zoovele andere zaken, nog niet gevallen, toen Willem IV, die nooit een sterke gezondheid genoten had en in de laatste jaren buitengemeen hard had gearbeid, vrij plotseling stierf (22 Oct. 1751).-.

Zijne beide kinderen waren een dochter, Carolina, en een zoon, toen drie jaar (geb. Maart 1748). Zonder eenig bezwaar volgde deze, Willem V, op; de prinses-weduwe werd „gouvernante", wat in dit geval dus zooveel als regentes beteekende. Ofschoon het heengaan van Willem IV tamelijk onverschillig opgenomen werd, had het toch zeer zeker een nadeelige uitwerking. Prinses Anna vermocht nog veel minder dan haar man leiding te geven. Van de hervormingsplannen hoorde men haast niets meer. Bentinck en Brunswijk werden weinig geraadpleegd^ De Larrey, eerzuchtig, niet zeer bekwaam, die na het aftreden -van De Back secretaris der Prinses werd (1758), verheugde zich' in stijgenden invloed. In het algemeen verloor de stadhouder-, lijke omgeving veel aan prestige. De regenten staken den kop omhoog en trachtten althans een deel der verloren macht te herwinnen; aan het recht van recommandatie achtte Amsterdam — ■en weldra ook andere steden fiè zich weldra niet meer gebonden.; Om elkander te steunen, sloten de Amsterdamsche anti-Oranjegezinde regenten, die toen reeds weer de meerderheid in de regeering hadden, een onderlinge correspondentie, de zgn. „pointen