is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(17 Maart). De kroonprins (geb. 1817), juist op réis in Engeland, aanvaardde na zijn terugkeer de regeering (12 Mei ingehuldigd). Willem III bad zich vóór zijn koning-worden in het pubhek niet veel uitgelaten. Men kende hem weinig en het oogenblik is ook nu nog niet gekomen, om een afdoend oordeel over zijne persoon uit te spreken. Zeker bezat hij niet de gave, om zich populair te maken, als zijn vader. Hij had iets ruws en stak in geestesbeschaving sterk af bij zijne gedistingueerde gemalin, koningin Sophie, geboren prinses van Würtemberg (gehuwd: 1839). Men meende hem sterk ingenomen tegen de liberale grondwet en stellig heeft de beperking van het koninklijk gezag niet zijne insteniming gehad. Maar toch is de praktijk der nieuwe regeerwijze tijdens hem, na eenige strubbelingen, ingeburgerd en het woord uit zijne eerste proclamatie, dat zijne roeping zou zijn de grondwet „volledige werking te geven", in vervulling gegaan. Bij de inwendige crises, die zich tijdens zijne lange regeering voordeden, heeft hij, zoo niet altijd, dan toch meer dan eens een gelukkige oplossing gevonden.

Zoo in de eerste plaats bij hét conflict tusschen Tweede Kamer en ministerie, dat zich spoedig na zijn optreden als Koning voordeed. Natuurlijk waren de ministers elk voor zich en waren zij gezamenlijk, den ministerraad vormende, van veel grooter beteekenis geworden na de grondwetsherziening. Buiten elk hunner om, voor zoover de zaken van ieders departement betrof, buiten hen allen om, wanneer het het algemeene regeeringsbeleid — en dit laatste maakte een zekere homogeniteit tusschen hen onderling tot vereischte — gold, kon de Koning niet meer regeeren. Het ministerie, dat de grondwetsherziening er door gehaald had en daarna door Willem II definitief benoemd was, bleek weldra niet in staat de uit de grondwet voortvloeiende regelingen met de noodige voortvarendheid tot stand te brengen. Hoe hard de ministers zich inspanden, in het bizonder De Kempenaer, het door ben voorgediende vond doorgaans geen gunstig onthaal. De oppositie van de eigen partijgenooten, van Thorbecke vooral, die nu (evenals Groen) hd der Tweede Kamer geworden was, was vinnig; van den eersten was na de bejegening van 1848 geen bizondere welwillendheid tegenover zijne medeleden uit de grondwetscommissie te verwachten. In September 1849 nam de Kamer een door Thorbecke ontworpen verklaring aan, dat er gemis aan overeen-