is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemming tusschen haar en de nünisters bestond. Het ministerie diende zijn ontslag in en Willem III droeg, niet dan na vrij lange aarzeling, de vorming van een nieuw kabinet aan den Leidschen professor op, daarmede een overwinning op zich zelf behalende. Thorbecke was spoedig gereed met een ministerie (1 Nov.), waarin overigens geen personen van groote beteekenis voorkwamen: hij stak ver boven zijn ambtgenooten uit. „Onze" daden, waarop hij de Kamer naar aanleiding van een vraag van Groen over het programma der regeering verzocht te wachten, waren grootendeels zijne daden.

In de lange hjst van ministeries, die elkander sedert 1848 opgevolgd zijn, staat het eerste ministerie-Thorbecke in grootheid van prestatiën nog altijd bovenaan. De onderwerpen, ter regeling, waren voor het grijpen en de nühister van binnenlandsche zaken bleek een buitengewone begaafdheid te bezitten, zoowel in het spoedig gereedmaken der wetsontwerpen voor de belangrijkste er van als in hunne gladde verdediging voor de Kamers. In dit opzicht en ook om zijn wilskracht een regeerder eerste klasse, zooals Nederland er niet veel gehad heeft, een man, die in de 16e of 17e eeuw een Oldenbarnevelt of De.Witt had kunnen zijn; misschien wat doctrinair, maar toch doorgaans ook wel zeer reëel. Reeds in den zomer van 1850 waren kieswet en provinciale wet aangenomen en een klein jaar later volgde de gemeente-wet. De eerste — Thorbecke heeft dit zelf voorzien—heeft natuurlijk reeds lang voor een nieuwe moeten plaats maken; de beide andere bestaan en — wat meer zegt — voldoen in hoofdtrekken nog. Van 18501851 dateert dus de regeling der provinciale en gemeente-besturen, die we allen kennen en waarvan de grondslag is, dat gewesten en gemeenten autonomie voor eigen zaken bezitten, terwijl hun band met de centrale regeering door door de Kroon benoemde commissarissen en burgemeesters (deze voor 6 jaar) wordt onderhouden: een wijze middenweg tusschen de oude „vrijheid" en de nieuwe centralisatie. Door de nieuwe inrichting verdwenen patriarchale toestanden, waarvan Beets in de Veerschipper nog zoo onderhoudend vertelt, voorgoed uit onze staatkundige inrichtingen. Het bleef niet bij deze drie „organieke" wetten. Wetten, o.a. tot regeling van het recht van enquête, onteigening ten algemeenen nutte, een postwet kwamen eveneens tot stand. En de weg tot de handelsvrijheid werd bewust ingeslagen