is toegevoegd aan je favorieten.

De grondslagen van het levensverzekeringsbedrijf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mogelijk is het dus dat hier en daar de totale sterftewinst wat minder wordt, mogelijk blijft zooals gezegd altijd een toevallige tegenslag als hetgriepjaar 1918, maar nu in ons land de groote oorlog, die zoo vlak aan onze grenzen woedde, zelfs geen merkbaren invloed ten ongunste op de sterfte had, hoewel de ervaring van 1870 anders had doen verwachten, nu is optimisme ten opzichte van de toekomstige ontwikkeling van de sterfte alleszins gerechtvaardigd.

De statistiek heeft het probleem van de sterfteverhoudingen zoo vaak en zoo diepgaand bestudeerd, dat men in dit opzicht volkomen terecht van een hecht fundament van de levensverzekering kan spreken. Waar men bovendien in ons land in het algemeen voorzichtig is met het aanvaarden van extra-risico's, zooals tropen-risico of oorlogs-risico, mag men concludeeren dat ten opzichte van den grondslag „sterfte" het in het bedrijf geeischte vertrouwen door de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek geschraagd wordt.

Ik kom nu tot het probleem van den rentevoet. Daarbij rijst als eerste vraag: wat is de usantieele rentevoet van hetNederlandsche levensverzekeringsbedrijf? De jaarverslagen geven het antwoord: de rentevoet waarop de technische reserven steunen varieert bijna zonder uitzondering tusschen 3 V2 % en 472%.

Zie ik echter niet zoozeer naar de premiereserve, maar zie ik naar de in ons land gebruikelijke brutopremiën, dan zou ik willen concludeeren dat de