is toegevoegd aan je favorieten.

Rome onder Clemens VIII (Aldobrandini) 1592-1605

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tooneelstuk in zijn huis was opgevoerd 4er gelegenheid van het huwelijk zijner dochter".

Een paar dagen later bericht dezelfde informateur van den hertog van Urbino, dat de postmeester hem heeft laten aanzeggen, dat er nieuws uit Parijs aangekomen is. Zoo wiesch reeds in oude dagen de eene hand de andere. Misschien was deze correspondent nog ih andere betrekking den postmeester van nétte, want ik heb een vermoeden, dat tenminste deze: „Awisi"**schrijver een dokter was, omdat hij gaarne medische kennis te luchten hangt en met voorliefde Hippocrates en Galenus aanhaalt.

De verhouding tusschen den paus en de stedelijke regeering was minstens genomen eigenaardig. Hij schijnt ze niet al te hoog aangeslagen en meer als overlast beschouwd te hebben. Als een deputatie ten paleize komt om den paus geluk te wenschen met de vreedzame verovering van Ferrara en daarbij begint over een monument, dat men nu maar moest oprichten, als eene herinnering: een triomfboog of anders een kolom of een inschrift, antwoordt de paus droogjes: „dat hij de stad nog meer bemint dan wie hunner ook, want al mocht hij somtijds met zijn persoon afwezig zijn, waren toch zijne gedachten altijd daar aanwezig".

Romeinsch is ook het gebruik bij buitengewone gelegenheden gobelins of in elk geval mooie tapijten uit de vensters te hangen; misschien wel omdat zé zulke zeldzame versierselen waren. Nog een paar jaar geleden lieten de stedelijke overheden in Rome speciale gobelins maken om die op buitengewone feestdagen rondomme het plein met het standbeeld van Marcus Aurelius uit te hangen.

Het straatleven in Italië moet om en nabij het jaar 1600 een aanmerkelijk verschil met dat van een dertig jaar vroeger getoond hebben, daar zoo vele karossen, die met haar plompen vorm nu juist geen' voordeelig figuur maakten, zfch in het gewoel mengden.

De Duitsche architect Schickhardt, die Rome toen bezocht, heeft ons zeer accurate afbeeldingen van deze voertuigen nagelaten, die op zich zelf een bewijs leveren, dat het lang geen genoegen moet zijn geweest in deze rijtuigen zonder veeren zich op de pleinen en over de heuvels van Rome te laten rondsleepen.

De teekening van den Duitscher moet overeengestemd hebben met wat men in het jaar 1598 noemde een rijtuig: „in den Hongaarschen stijl met zitplaatsen" en toen een nieuwigheid geweest