is toegevoegd aan je favorieten.

Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al deze factoren bemoeilijken een duidelijke voorstelling van den handel. Toch blijkt deze op vele gebieden en in tal van takken vóór 1780 herhaaldelijk nog zeer uitgebreid en winstgevend te zijn geweest. Zoo bloeide de geldhandel vooral na de geldcrisis, tengevolge van de speculatie van 1720 ontstaan en die zich nog tot 1728 liet gevoelen, tot de crises van 1763 en '73 ook daaraan een einde maakten1).

^De binnenlandsche nijverheid vertoonde wel het eerst en duidelijkst de sporen van verval: zoo wijst men in de Leidsche lakennering op een daling van 20.000 stuks in 1718 tot 6400 in 1749; desgelijks ging het in de grijn- en chitsfabricage; iets beter alleen in de baaibereiding2).

§ 4. BÜITENLANDSCHE STAATKUNDE EN ECONOMISCHE BELANGEN.

In overeenstemming met de boven besproken ontwikkeling, stak de financieele toestand van den staat, die niet bij machte bleek om convopien te verleenen tegen zeeroof, kaapvaart en Onderzoek door oorlogvoerenden en die een enkele maal zijn betalingen moest staken, scherp af tegen den rijkdom zijner onderdanen 8).

Behalve Engeland en Frankrijk traden ook Rusland en Oostenrijk, die beiden de Turken terugdrongen en (het eerste uit den Noordschen oorlog op Zweden, het tweede uit de Spaansche successie) aanzienhjke voordeelen veroverd hadden, op den voorgrond. Ook de keurvorst-koningen van Saksen-Polen, en steeds meer die van Brandenburg-Pruisen namen een belangrijk aandeel in de politiek. Daartegenover teerden de Vereenigde Nederlanden nog lang op hun geld en hun naam, verworven in de 17e eeuw, in het bijzonder in den laatsten oorlog, met de schamele winst (de barrière), die deze hun had opgeleverd.

Een pohtiek als in de vorige eeuw, toen de Republiek zich bij het botsen der economisch-politieke belangen vaak te midden der vlammen had bewogen, was niet meer te verwachten, maar ook de sfeer was nu anders. In den rustigen tijd van

») Differee, Studiën over den Nederlandschen handel, II, de Fondsenhandel, blz.49 vlgg.

*) Luzac, a.w., blz. 304 vlgg.; Pringsheim, Beitragezur wirthschaftlichen Entwickelungsgeschichte der Vereinigten Niederlande, blz. 34, 72. De laatste spreekt blz. 33 ook van de bloeiende zijde-industrie, die in den loop van hetzelfde tijdvak moet zijn te niet gegaan.

') Bussemaker, a.w., blz. 99.