is toegevoegd aan je favorieten.

Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt tegen het eind van ons tijdvak een nog forscher geluid aan het woord. Krachtig verdedigt hij het bovennatuurlijke van de godenverhalen' tegen de rationeel-plausibele chineesche systemen, wijst op het door alle klassieken onverklaarde wonder van alle leven en bestaan, van een aarde, die drijft in het luchtruim. Wie dan ook die theorieën van barbaren (de Chineezen) aanhangt, veracht zijn eigen land, zegt Norinaga; en dan richt hij de aandacht op de ononderbroken lijn van heilige heerschers, afstammend van de Zonnegodin, die het levend blijk zijn, dat Japan is het land der Goden, bij welk land alle andere achterstaan. Als uiting van iets eigens begroet hij dan ook de nieuwe populaire strooming in de schilderkunst, bijzonder de Ukiyoeschool en keurt de traditie in die kunst af*); in een overzicht der buitenlandsche betrekkingen (tot Ieyasu) beschrijft Norinaga alle hulde uit Japan, ooit aan den keizer van China gebracht, als bedoeld om voordeel en verkeerd. Stonden de Chineesche keizers achter bij den Mikado, dan zeker die zoogenaamde Wijzen: „niets als oproermakers, aanranders van het wettig gezag, welke ook in Japan alleen maar burgeroorlog en beroering hadden gewekt", is zijn aanduiding. Onuitgesproken maar duidelijk lag hier een politieke gedachte ten grondslag: niet slechts tegen het Confucianisme ging het, maar tegen het bewind, dat er op steunde. Die strooming zou aanzwellen, al meer, vooral toen de Shintötheorie later, met Hirata Atsutane, tot volle ontwikkeling kwam.

§ 19. TOESTAND AAN HET EINDE VAN DE l8E EEUW, SADANOBU.

Gedurende deze aanvallen was bij de Kangakusha, die de Wijzen en de Tao nastreefden, volstrekt geen eenstemmigheid, en namen na Yoshimune de afwijkingen van de officieele leer volgens Chu Hi steeds meer toe. Daarenboven zag men de verwildering in het moreele, de overheersching van het geld en dus der koopheden, het losraken van de maatschappelijke orde. Zou heel het stelsel wankelen?

Geweldige rampen teisterden het land, uitbarstingen (de Mihari, 1779, de Asana, 1783), overstroomingen, gevolgd door droogte met plotselinge regenvloeden, oogstmislukking, hongersnood, algemeene duurte. Onder die omstandigheden weigerden de koopheden crediet en dreven speculanten de prijzen nog

') Chamberlain, Notes by Motoori on Japanese art (Transactions of the Asiatic Society of Japan, XII, blz. 221).