is toegevoegd aan je favorieten.

Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der vreemde waren, die het weer moesten verhalen op hun leveranciers. Kaempfer x) geeft op, dat deze belasting voor de Compagnie 15 %, voor privaathandel en Chineezen een hooger percentage bedroeg, wegens de lagere kosten van hun vervoer. Vermoedelijk is dat een globale raming en wisselde dit percentage voor de Compagnie, zoowel bij de verschillende verkoopingen als voor de onderscheiden koopwaren. In 1707 kreeg men een geheime mededeeling, die sprak van een recht van 50—100 %, naar gelang der behoeften, daargelaten, dat er in dat jaar nog 20% bovenop werd gelegd a). Behalve de retributies aan de stad was ook de belasting, voor het centraal gouvernement waarschijnlijk hierin begrepen. In 1710 zou die 5 % op zijde en stoffen en een geringer bedrag op andere pondgoederen bedragen hebben, of in totaal 40000 ryö (240.000 momme) 2).

Een belangrijk deel van de geheele heffing is wel door de Chineezen opgebracht, daar dezen een maximum omzet hadden, tweemaal grooter dan die der Hollanders.

Een tweede belasting op den handel der Compagnie vormde de zoogenaamde nusuki (uitzoek). Deze bestond daarin, dat de gouverneurs en andere hooge ambtenaren het beste gedeelte uit elke partij voor zich behielden tegen den prijs, welke voor het geheel gegeven werd. De kooper kon dus zijn winst alleen behalen op het slechtste gedeelte en richtte zijn bod daarnaar. Dezepraktijk wordt reeds vermeld in 1700 en is mogelijk omstreeks dien tijd in zwang gekomen. De Compagnie trachtte dit tegen te gaan, door in 1701 de waren gesorteerd te verkoopen, maar dit gaf slechts het resultaat, dat de fijnste quahteiten het minst opbrachten 3).

Ten 3e en 4e had de Compagnie in Yedo jaarlijks geschenken aan te bieden (waarvan de Chineezen vrij waren) en moest zij als mede-ingezetene aan de „hassaku" te Nagasaki deelnemen.

De vijfde last drukte op de betaling der goederen. Gelijk voor geheel Zuid-Japan gold ook voorNagasaki het zilver alsstandaard en daarin werden ook de prijzen der Compagnie berekend. Zijzelf rekende in taels van 10 maas (wat wel haar term voor me of

«) Zie hierachter B § 3.

*) A. w., blz. 113; zie echter blz. 111, waar de auteur zelf zegt,' dat het percentage voor de Compagnie niet vast stond. *) Brinkley, History of the Japanese people, blz. 609.

') In Kaempfers tijd bestond ze blijkbaar nog niet („Brieven" 1,700/02, vlg. Alg. Rijksarchief).