is toegevoegd aan je favorieten.

Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

momme zal wezen), en ze stelde dien tael op drie en een halven gulden, f 3, 10 st. Oost-Indisch „ligt" geld1). De betaling geschiedde echter in goud, daar de uitvoer van zilver haar sinds 1672. verboden was. Daarbij moest iedere ryö of koban aangenomen worden tegen de waarde van 68 maas, dus 6,8 tael. Mogelijk was dit een soort maximum-standaard, doch de doorsnee koers was 57 a 60 momme. Dit heeft heel het geldsysteem van den handel beïnvloed; want het is duidelij k, dat de Compagnie's, ,maas'' nu niet ten volle een, en dus de tael maar 8 a 9 momme waard was a).

§ 3. BEPERKINGEN VAN DEN VREEMDEN HANDEL.

Deze fiscale richting viel natuurlijk het meest in den geest der koopheden en burgerautoriteiten te Nagasaki. Zij wilden zooveel mogelijk voordeel trekken uit den vreemden handel, maar hun streven werd gekruist door een andere strooming, zuiver protectionistisch en feodaal getint. Bij de laatste zat de (Chineesche) neiging voor om zich geheel onafhankehjk te maken, op eigen landbouw te kunnen drijven en tegelijk den metaalvoorraad te sparen b). Dit streven blijkt ook bij den prijs der kobans, aangezien de Maatschappij deze blijkbaar tegen denzelfden koers weer voor staafkoper, kamfer en andere artikelen mocht uitgeven; want daardoor drukte die last vooral op den uitvoer van goud. Evenzoo was er aangaande het koper een maximum voor den uitvoer vastgesteld, n.1. 250.000 Japansche kin, waarvan er 10 in eene picol (of kist) der Compagnie gingen. Bovendien was er een maximum voor den verkoop der ingevoerde waren. Dit bedroeg volgens Japansche bronnen 50.000 ryö, en dus 340.000 taels; daarvan was het aandeel van de Compagnie zelf bepaald op 300.000, terwijl de 40.000 overige door particulieren verhandeld werden. Hierop doelt vermoedelijk ook Kaempfer. Maar als hij zegt, dat de Compagnie niet ten volle 300.000 tael bereikte in haar omzet, is dit onjuist; het moest zijn: niet ten volle 3 mülioen momme (3000 kwamme) in Japansche munt; het bedroeg namelijk 2644 kwamme, want dit stemt met 300.000 taels overeen. Die laatste som vindt men in de boeken der Compagnie (omgerekend tot f 1.050.000) en dus ook in de uitvoercijfers, die met

a) Hoofdstuk II § 120; hoofdstuk I § 18 en 19. b) Hoofdstuk II § 9 en XI.

l) Dezelfde (uit het Maleisch afkomstige) namen en ongeveer dezelfde waardebepaling golden voor de Compagnies-rekenmunten bij haar handel in China. Op den duur weken Chineesche en Japansche taels van elkaar af (vgl. de Hullu, a.w., Bijdragen, 73, blz. 93)-