is toegevoegd aan je favorieten.

Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den verkoop moesten kloppen. Beschouwen we de zaak op deze wijze, dan behoeft het gezag van Kaempfer en anderen niet geheel te worden terzijde gesteld. Dit klopt ook ongeveer met den prijs der Japansche pitjes of koperme te Batavia. Ik meen hier dus van Nachod's opvatting te mogen afwijken 1).

De Compagnie zelf heeft zich over dit maximum voor haar verkoop nooit bijzonder beklaagd; immers haar principe was, uit en door kleinen omzet groote winst te maken. Nu behoorde Japan nog tot de enkele kantoren in Indië, die winst gaven. Maar ook dit voordeel was door de bovengenoemde heffingen al aanmerkelijk besnoeid. Het was bovendien in het fiscaal belang vooral van Nagasaki, dat de hoeveelheid waren binnen bovengenoemd maximum niet te klein werd. De autoriteiten der stad hadden dus al uit haar eigen middelen een verhooging van dien tax toegestaan groot 80.000 taels, die niet in goud, maar in koper werden betaald.

§ 4. HANDELSORGANISATIE TE NAGASAKI.

Als .een tweede middel tot beperking van den omzet kon men zorgen, dat de winstmarge voor de Compagnie smal bleef. Om dit in de hand te houden, was noodig een systeem, analoog aan dat, wat ook bij de Nederlandsche Oost-Indische Maatschappij zelf heerschte: niet alleen in enkele uiterlijke (en misschien toevallige) kenmerken, als nusuM, dubbele geldrekening en geknoei der ambtenaren ziet men de gelijkenis a), maar in de neiging tot monopolie zelf. Nagasaki had een privilege en dat gold ook voor de colleges, die ter contróle over het verkeer met de Hollanders speciaal waren ingesteld, en, gelijk wij zagen, georganiseerd waren op de wijze van en in verband met bestuurscolleges en gilden.

Hiervan waren de tolken de voornaamste. Op hen viel heel het odium van alle schade en beperkingen, die de Compagnie bij het Japansche systeem had te verduren en vaak ook nog dat van de schade, door lakschheid en eigenbaat der Hollandsche ambtenaren

a) Hoofdstuk I, § 14 en 18.

*) Nachod, a. w., blz. 392. Zie echter aldaar blz. 373, waar uitdrukkelijk staat vermeld, dat ook de koperinkoorren dus export van de Compagnie tegen denzelfden koers der taels (6,8 per ry5) plaats had, zoodat die voor haar geheele geldrekening gold. De pitjes of kopermon golden te Batavia 10 op 1 zwaren stuiver (Van der Chijs, Plakaatboek van Nederlandsph-Indie, IV, blz. 34) (1 Juni 17x3), dat is omgerekend in licht geld: f 25 per 4000, en klopt dus met de waarde van een koban aldaar; echter zal men de winst der regeering in aanmerking moeten nemen