is toegevoegd aan je favorieten.

Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met elkaar vereffend, en wat men niet had afgedaan, werd tegoed geschreven voor het volgende jaar1).

Hieruit volgen twee feiten: ie. het smokkelen was hierdoor nog veel verlokkender, want daarbij werd men volgens debinnenlandsche geldswaarde betaald; 2e. de grootste moeilijkheden leverde onder die omstandigheden het vinden van een loonend uitvoerprodukt.

Een poging tijdens den welgezinden Van de Parra in '65 gedaan om de particulieren te helpen door een bestelhng van boonen, zaden, ohe, zwavel enz. mislukte en de order werd voor het meerendeel van de hand gewezen. Met lak, porcelein en andere Japansche curiosa (waarbij zelfs afbeeldingen van Willem V, Van de Parra, den slag bij Doggersbanka)) was Batavia al overladen; bovendien belemmerde hier het uitvoerverbod. Koperen voorwerpen waren ook maar tot een beperkt getal te verkrijgen.

Dus ging het personeel tornen aan den zoo winstgevenden uitvoer, dien de Compagnie voor zichzelf behield. Zij maakten zich sinds 1751 meester van de 1000 ryö, die na 1741 het laatste overblijfsel vormden van den gouduitvoer; zij kwamen als een gunst de Compagnie 700 pikol koper aanbieden, echter tegen zeer verhoogden prijs. Dat leverden de Japanners alleen aan de particulieren tot goedmaking van hun kosten. Te Batavia nam de regeering het aan, aarzelde daarna wel eens of het wel door den beugel kon, vooral toen in plaats van staafkoper een veel minder soort plaatkoper werd aangeboden in vaak zeer ongeschikten vorm. Maar met eenige onderbreking werd de levering voortgezet tot 1778 a). Toen probeerden de opperhoofden, gelijk 1765—68, weer kopergeld te krijgen.

Tevens wierpen ze zich op kamfer; hoe de markt in Europa betreffende dit produkt door hun uitvoer, welke Engelsche „pri vateers" verder brachten, voor de Compagnie tijdelijk werd bedorven, is reeds vermeld b). Ook het vrijkomen van den Franschen handel na 1770 c) gaf goede kansen.

Een middel, dat de verschillende betrokkenen ook onderling toepasten en waarin de Compagnie hen gedurende enkele jaren tegemoetkwam, was de retourlading te vermijden door het

a) Hoofdstuk IV § 16 en V§ 14 d. b) Hiervóór, hoofdstuk III B § 20. c) Hoofdstuk I § 13.

*) Thunberg, a.w.; Overmeer Fischer, a.w.

«) Het verbod in dat jaar bij van der Chijs, Plakaatboek X, blz. «70, vgl. blz. 7*0.