is toegevoegd aan je favorieten.

Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kooplieden hadden, zeide hij, geen godsdienst dan den eigenbaat. Na den maaltijd ging men schijfschieten. Uhkamhy het een paard opstellen en schoot het ineens dood. Hij was zoo verrukt, dat hij Benyowski elke gunst wilde toestaan, waarom deze zou vragen. De graaf verzocht daarop in Japan terug te mogen keeren om handel te drijven. Dit werd hem toegestaan en de „koning" verzocht bijzonder om pelswerk te willen aanvoeren. De eenige voorwaarde, die gesteld werd, was, dat geen christelijke boeken of priesters mochten worden meegebracht. Daarop kreeg Benyowski bij zijn vertrek een verlofbrief en een vlag om zich weer kenbaar te maken; een Japanner ging mee aan boord. Intusschen hadden de schepelingen reeds een zeer voordeeligen handel gedreven, zoodat zij, toen men weer onderweg was, hun leider vroegen nog eenmaal te mogen landen.

Dit geschiedde in het ..koninkrijk Idzo". Daar werd hun evenwel, toen ze reeds aan wal waren, gelast zich weer in te schepen, want de Hollanders kwamen ook nooit uit zichzelf aan land. Maar de graaf weigerde hieraan gehoor te geven, voordat hij wateren ververschingen had gekregen. Hij gaf daar ook een brief voor de Hollandsche opperhoofden af, met verzoek om een tolk en geleide naar „hun haven". Er werd verder wel eenige ruilhandel met booten gedreven, maar het wantrouwen en de bewaking der Japanners deden hier toch de vooruitzichten hopeloos schijnen.

De wind dreef hen een derde maal aan wal en nu in het „koninkrijk Touza". Daar vertoonden de Japanners zelfs wapens en kwam een commissaris de mannen als ongewenschte vreemdelingen gevangen nemen. Deze functionaris schrikte echter zoo van het kanongebulder, dat hem op het schip verwelkomde, dat hij flauw viel; hij had bovendien de onhandigheid zijn commissie af te geven. In één woord Benyowski triomfeerde weer, maar hij gaf toch verdere pogingen in Japan op en landde eerst weer op Takashima bij de Ryü-Kyü.

Het blijkt op het eerste gezicht, hoezeer de waarheid door den graaf wordt gestoffeerd uit zijn verbeelding. Vooral het verblijf in Usilpatchar bevat wel zeer veel, wat in strijd is met al hetgeen we weten over de toenmalige houding der Japanners tegenover vreemdelingen. En wat er wel plausibel in ldinkt, kan misschien nog ten deele het resultaat zijn van eenige lectuur. Nu hebben twee andere tochtgenooten ook een relaas van de