is toegevoegd aan je favorieten.

De wet tot verruiming van het plaatselijk belastinggebied

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlangd, voor den aanslag als forens van belang. Het zal voor de gemeente intusschen zaak zijn op de forensen het oog te blijven houden. Zij moet den inspecteur opgeven, wie forensen zijn. Deze verdiept zich niet in de merites van den forensenopgaaf evenmin als de inspecteur van de gemeente van hoofdverblijf, die op den enkelen grond van de opgave dat een persoon elders bedrijfsforens is, den aanslag wegens hoofdverblijf tot % reduceert. Heeft de gemeente van hoofdverblijf bezwaren, dan kan zij van artikel 265/ (beroep op de Kroon) gebruik maken.

Kan de gemeente niet volstaan met de gegevens, waarover zij reeds uit anderen hoofde dan als belastingheffer de beschikking heeft, dan zal zij dus goed doen door bijzondere formulieren nadere gegevens te verzamelen. Tegen niet of niet-behoorlijke invulling dezer formulieren kan bij de invorderingsverordening straf worden bedreigd. Een dergelijke verordening wordt nog steeds door art. 257 geëischt. Bij die verordening moeten trouwens nog worden geregeld de tijdstippen, waarop de belasting invorderbaar is. Daaromtrent spreekt de wet van 1845, waar art. 260 naar verwijst, zich niet uit. Het is gewenscht, dat deze tijdstippen samenvallen met die, waarop de Rijksinkomstenbelasting invorderbaar is. Anders zouden voor publiek en administratie moeilijkheden kunnen ontstaan. Het Centraal gezag eischt dan ook van de invorderingsverordening, dat zij bepalingen bevat, welke hierin voorzien.

Voorts staat de richtige invulling der uit te reiken foi muiieren onder de sanctie van art. 271, dat intusschen alleen waakt tegen onjuiste opgave met het oogmerk om te ontduiken, niet tegen eene onjuiste opgave zonder dat oogmerk, of tegen het nalaten van eene opgave.

In de derde plaats onderscheidt zich de heffing van opcenten op de Art. atk. Rijksinkomstenbelasting en van gemeentelijke inkomstenbelasting door Art. 2e», de bijzondere regeling, voor de uitkeering van de ontvangen gelden voorioopige aan de gemeente. Een van de belangrijkste bezwaren tegen de verplichte heffing van de gemeentelijke inkomstenbelasting door de Rijksadministratie was, dat, werd de opbrengst eerst na inning uitgekeerd, tengevolge van den achterstand, welke die administratie heeft in te halen, de gemeente gedurende langen tijd zonder kasgeld zou zitten, en dientengevolge een gevoelig renteverlies zou lijden. De nu getroffen regeling is zoodanig, dat de gemeente van heffing door de Rijksadministratie een groote rentebesparing kan verwachten. Volgens die regeling ontvangt de gemeente in afwachting van de definitieve vaststelling der opbrengst voorioopige uitkeeringen. Deze uitkeer ngen geschieden aan het eind van de maanden Juli tot en met Maart, dus negen maal en beloopen een tiende van het bedrag, dat, naar raming in totaal aan gemeente-

Beijen - Verr. bel.geb. 5