is toegevoegd aan je favorieten.

Het bankwezen in Nederlandsch West-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oorzaken van een en ander zijn verschillend. In de eerste plaats — het klinkt misschien vreemd — heeft de achteruitgang van de kolonie daartoe medegewerkt. Na alle moeilijkheden, die men reeds had doorgemaakt had de val van de Westindische Bank in zekeren zin de beteekenis gehad van een genadeslag. Men begon op groote schaal de plantages te verlaten. In 1831 waren er nog 451 plantages, welk getal in 1862, d.i. het jaar vóór de afschaffing van de slavernij,, geleidelijk tot 200 was gedaald. In verband daarmede verminderde ook het belang van het Nederlandsche kapitaal bij den Surmaamschen landbouw. De negotiatien verdwenen allengs meer van de beurs. Vele waren zonder meer waardeloos geworden; op andere werden de bedragen uitgekeerd, die uit de vereffening van de plantages waren verkregen; weder andere werden op gewone wijze afgelost, vooral toen kort na het midden van de 19de eeuw de landbouw weder wat opkwam. Dit laatste duurde evenwel niet lang. De afschaffing van de slavernij in 1863 was een nieuwe slag voor de kolonie, die, ook in verband met de aan de planters toegekende schadeloosstellingen, aan de-nog bestaande negotiatien een einde maakte. Na het jaar 1866, d.i. dus ongeveer sinds het optreden van de Surinaamsche Bank, kwamen zij op de beurs niet meer voor. De Surinaamsche Bank had het dus van den beginne af veel gemakkelijker, dan haar voorgangster. Met het belang van het moederland was de groote vraag naar remisemiddelen verdwenen, die op de wisselkoersen en het ruilmiddel steeds zulk een nadeeligen invloed had gehad.

De oprichting van de Surinaamsche Bank valt echter niet alleen in dit opzicht samen met den aanvang van een nieuw tijdperk in de Surinaamsche geschiedenis. Ook de vorderingen van de kolonie op het buitenland (d.i. moederland) werden na haar optreden grooter dan zu' te voren waren geweest. In den aanvang van dat nieuwe tijdperk, of eigenlijk reeds iets van te voren, kreeg men de schadeloosstellingen voor de emancipatie van de slaven, die over het algemeen niet op de meest oordeelkundige wijze werden besteed. Ook dit droeg er toe bij, dat de Regeering ten slotte genoodzaakt was de reddende hand uit te steken. Hiermede vangt het tijdperk van de koloniale leeningen aan. Aanvankelijk strekten deze leeningen slechts ter bevordering van de immigratie (1874, 1880, 1895 en 1906). Later, toen de belangstelling voor de kolonie weder toenam, kwamen daarneven leeningen voor andere doeleinden, t.w. voor de zoogenaamde Productieve Werken (1896) en voor den aan-