is toegevoegd aan je favorieten.

Dageraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Je adem-snuiven als je dieper boog, Je blij geneurie, als 't vlotten wou, 't Krassen van de veer op het papier.... Beet door het venstergat een uil zijn schreeuw. Week ik in schrik terug — jij, zag 't niet. Viel moe mijn hoofd op het kozijn in slaap, Jij zag 't niet. — Dat was het wonder, Luuk, Het groote, vreemde wonder bij ons twee: Jij had geen óógen als j' in arbeid was — Ik had er geen. We waren béiden blind, (een stilte) Heb ik je pijn gedaan? Je zegt zoo niets! Ik ken geen erger jammer dan het uur Dat jij door nood gejaagd weer ziende wordt.... LUKAS

Jij pijn gedaan? Jij, goed, geduldig kindl

Als 'k een vrouw had, die zoo kéék als jij —

Was ik een koning, die zijn hermelijn

Met hemelsterren, flonkerend van dauw

In 't lichten van den ochtendstond, belei!

Vroeger deed ik als nar die jodelde,

Die hupte als een gems — bij 't vrouwe-oog,

Dat in de haag der wimpers, als een bloem,

Violenzwart, blauw der volrijpe lisch,

Wit van de lelie op het waterdek,

Nog in den slaap me lachende toesprak.

De meeste mannen vallen in den strik

Van oogen, uiterlijk een zoete bron,

Glans-stroom van leven — innerlijkst de dood!

MARJOLEIN

Praat niet zoo wreed en bitter!

LUKAS

Bitter? Ik? De lach is van mijn lippen niet geweest! De berguil met zijn ingeroesten grijns Draagt op zijn snuit den wereldwijsten trek. Nooit zag 'k mezelven scherper van gelaat Dan in een spiegel met gebogen vlak. Is het niet zot: een dier, dat bijten wil, Speelt met zijn tanden, zooals wij het doen, Als wij ons krimpen in een bui van pret! De diepste smart wordt lach bij 'n skelet.