is toegevoegd aan je favorieten.

Een eeuw veeartsenijkundig onderwijs

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Enkele bijzonderheden omtrent Personeel en Onderwijsinrichtingen gedurende het tijdvak 1821-1851.

Aantal leerlingen.

1821 : 24 1837 : 40

1822 : 31 1838 i 42

1823 : 30 1839 l 46

1824 : 41 1840 : 49

1825 : 44 1841 i 42

1826 : 52 1842 : 41

1827 : 45 1843 i 36

1828 : 50 1844 : 33

1829 : 50 1845 : 30

1830 : 12 1846 : 30

1831 : 23 1847 i 24

1832 : 23 1848 : 16

1833 : 31 1849 i 10

1834 : 29 1850 : 5

1835 : 32 1851 i 7

1836 : 34

Beambten.

Veeartsen der school:

L. Cambier (1822—1827), Belgisch veearts.

J. A. W. Hart (1827—1839), tot veearts bevorderd 29 Juli 1826.

Hart werd reeds vóór zijn eindexamen met 't oog op zijn aanleg en ijver tot belooning aangesteld als amanuensis; na zijn aanstelling als veearts der school werd, door huiselijke omstandigheden, zijn ijver gaandeweg minder, en moest hij zijn betrekking opgeven; hij werd in 1839 opgevolgd door

B. J. C. Rijnders, die dit ambt vervulde tot 1 April 1851, met welken datum hij tot leeraar werd benoemd.

Prosectoren:

C. Honing (1821-1822). T. D. Schubart (1822—1842), daarna repeti* tor bij de anatomie en custos der cabinetten. L. van der Wurff (1842-1851).

Apotheker:

A. Deerns (1822—1851), sedert 1822 tevens oeconoom.

Oeconomen:

W. van de Kasteele (1821—1822). A. Deerns (1822—1851).

Musea en Verzamelingen ten dienste van het Onderwijs.

(Toestand in 1850 volgens een verslag van Numan).

1°. „Het anatomisch en physiologisch kabinet, bevattende thans een voor* raad van fraai bereide voorwerpen voor het onderwijs in de vergelijkende ont* leedkunde der dieren, ten bedrage van 2551 nummers.

2°. Het scheikundig laboratorium, bevattende de meest noodzakelijke werk* tuigen voor het onderwijs in deze wetenschap, alsmede in de proefonder* vindelijke natuurkunde en artsenij* mengkunde. Aan hetzelve is tevens de apotheek verbonden, waarin de genees* middelen voor de zieke dieren worden bereid.

3°. Het anatomisch theater, ingericht voor de ontleedkunde der dieren.

4°. Het pathologisch kabinet bevat* tende een belangrijke verzameling van ziektekundige voorwerpen, alsmede van ingewandswormen, en gedrochtelijke dieren of monstruositeiten, tellende vol* gens den bestaanden catalogus 854 num* mers.

5 °. De b o e k e r ij, waarin voorname boek* en plaatwerken gevonden worden, betref* fende alle vakken van het veeartsenij* kundig onderwijs, en daarmede in ver* band staande wetenschappen. Zij telt thans volgens den bestaanden catalogus 516 nummers.

6°. De plantentuin, voorzien van een behoorlijk aantal planten en gewassen ten bedrage van 2000, welke voor een geregeld stelselmatig onderwijs in de botanie gevorderd worden, in verband tot de kennis der planten, welke tot geneesmiddelen of voederstoffen voor de dieren in aanmerking komen en die, welke schadelijke of vergiftige ejgen* schappen bezitten.

7°. De stallen voorfgezonde en zieke dieren, welke ter behandeling worden opgenomen.

8*. De hoefsmederij met den daartoe behoorenden voorraad van modelijzers van gezonde en gebrekkige voeten, welke voor het hoefbeslag en het daar* toe betrekking hebbende onderwijs noo* dig zijn."