is toegevoegd aan je favorieten.

Den Haag in den patriottentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoonmaakwoede en ook daar wist men het noodige krijgsmateriaal te bemachtigen.

Donderdag den 20en September, was er feest in den Haag, dat nu weer de Hofplaats zijn zou. De Stadhouder was in aan tocht! Tegen elf uur had er zich de tijding verspreid, dat de Prins daags te voren te Schoonhoven was aangekomen en tal van handen bevlijtigden zich, om nog in allerijl de laatste hand aan eenige versieringen te leggen.

Blijkbaar hadden de bewoners van de Vlamingstraat inderhaast een inzameling gehouden, om gemeenschappelijk een fraaie eerepoort te doen verrijzen. De stoot hiervoor was gegeven door den ons bekenden boekhandelaar-uitgever J. F. Jacobs d'Agé, die met een 35-tal anderen de noodige contanten bijeenbracht, zoodat binnen twee dagen de geheele zaak in orde was.

Met den meesten spoed had de kunst schilder A. Frese zijn ontwerp gemaakt, en direct daarna trokken de timmerman H. van Bork en J. J. Davrance aan den ar beid, om het gevaarte te doen verrijzen. Het geheel was in Jonischen stijl opgetrokken en droeg in het frontispice een voorstelling van den stadhouder, in een statiekoets door de Haagsche burgers ingehaald, waarachter — blijkbaar ter opwekking van de nu getemde patriotten — de „Goddelijke Wraak, die met den Bli ,.xern de Haaters en Lasteraars van het „Hoog Vorstelijk Oranje Huis vernield en „verdelgd in de afgrond". Onder een welkomstgroet, in het fries aangebracht, zag men ter weerszijden van den doorgang een levensgroot beeld, nl. „de Vrijheid met „de Hoed en de Speer, beschermende den „Nederlandschen Leeuw" en „de Godsdienst, omkranst met een Starrenkroon, „houdende in de Regterhand den Bijbel, en in de andere een Tempel."

De andere zijde van de poort vertoonde in het frontispice een altaar met een brandend hart. met het onderschrift: ..Voor Oranje". Aan de eene zijde daarvan zag men de Hoop, rustend in het lommer van een Oranjeboom, terwijl aan de andere zijde Mercurius was voorgesteld, die de herstelling van den Prins in zijn aloude waardigheden verkondigde. De beide -peelden aan deze zijden stelden voor de Dapperheid, verzinnelijkt door Hercules met een Pruisischen Adelaar, en de Deugd, gepersonifieerd in een Minerva-figuur, die in de eene hand een spies, in de andere de gerichtsstaf hield, terwijl een Leeuw en een Ooievaar haar nabijheid zochten.

Juist bijtijds werd de poort opgeleverd, want even na den middag was de Stadhouder te Voorburg aangekomen, waar hij door de burgers — velen evenwel waren

ter ontwapening afwezig — met luid gejubel werd begroet. Een tijdgenoot schetst de ontroering zijner dorpsgenooten aldus: „De Hozanna's welke in de Lugt werde „opgeheeven, deed den Echo met een lief„felijk geloei daveren, welke Echo vriendelijk betwist wierd door 't aanheffen „der menigvuldige Vreugdeliederen, ter„wijl de stokoude Grijsaard den wakkere „jeugd in 't vrolijke huppelen niets scheen „te willen toegeven!"

Het schijnt, dat de Stadhouder 't onder dergelijke omstandigheden niet wenschelijk vond, zich in Voorburg eenigen tijd op te houden. De stoet sloeg dus terstond de Laan van Nieuw Oost-In dië in en bereikte te 2 uur het Bosch, waar de paar-' den van het vorstelijk rijtuig werden afgespannen en de verblijde aanhangers van 't oud régime zeulden de zware koets, geëscorteerd door de Garde-dragonders en de Guardes du corps, het Bosch door en de middelste Boschbrug over, waar de gansche schutterij stond opgesteld. Zoo ging het langs Voorhout, Kneuterdijk en Gevangenpoort naar 't Binnenhof, waar weldra de Stadhouder de voorouderlijke vertrekken weder betrok.

Terstond werden talrijke personen en colleges aangediend, om hun opwachting te maken, o. a. de Haagsche Magistraat, de Kolonel en de verdere officieren der [ Schutterij. Zelfs Van Bleyswijk was een der eersten, om den Prins te komen complimenteeren. Maar deze doorzag den Raadpensionaris, die zoo lang een dubbelzinnige rol gespeeld had, te wel. om zijn betuigingen voor gave munt aan te nemen. Hij voerde den bezoeker naar't venster en. wijzende op de menigte op 't Buitenhof, die terstond in gejubel uitbarstte, toen ze den Oranjevorst gewaar werd, voegde hij hem droogjes toe: „Dat is nu de stem des volks, mijnheer de Raadpensionaris I" Maar — nóch de Prins, nóch Van Bleyswijk hadden die volksstem inderdaad begrepen !

Die stem klonk ten deele ook al weer uit de gelegenheidspoëzie, die in deze dagen bij de verschillende boekhandelaars, voornamelijk bij d'Agé, verscheen. J. M. Sobels, die in deze en later dagen, telkens wanneer voor de oranjepartij weer een succes te boeken viel, met een gedicht voor den dag kwam, gaf ook nu in een „Ode of opwekkende Dankbaarheid, e-ulhartig toegewijd aan Neerlands volk", zijn hart weer lucht, terwijl ook J. Bool weer naar de lier had gegrepen.

De eerste dagen gingen voor den Stadhouder op ongewone wijze voorbij. Nog hielden de deputaties niet op, hun opwachting te maken en den 21cn vond de Prins de diakenen der Gereformeerde (= Hervormde) Gemeente in zijn au