Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ze zal nooit aan dien jongen gedacht hebben! Laat jij je dat wijsmaken, Dietsman ?"

„Zeker," zei de ander en werkte met z'n eigen gedachten voort.

„Zoo'n vlegel!" brulde de eerste weer, terwijl hij geweldig dreigde met z'n vuist „En die zou m'n schoonzoon willen worden ? Ik was nog liever dood en begraven, dan dat ik zoo'n aap ooit vader tegen me liet zeggen."

„En dat wil een raadsman zijn ?" raasde Dietsman aan den anderen kant van de tafel; doch hij had 't niet tegen Frits, hij had 't tegen pater Labora. — „Dat wil een raadsman zijn, die voor een jongen zorgen zal en laat 'm rustig failliet gaan ?.... Neen, dan heb ik nog meer vertrouwen op m'n eigen ondervinding."

„Zoo'n snotjongen!" kwam 'tweer 231

Sluiten