Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men blijve bij alles de „toean", wiens woord wet is en die gehoorzaamd dient te worden. Een dergelijke behandeling is voor de Chineezen de meest begrijpelijke. Zij schikken zich hierin gemakkelijk, mits die behandeling toch rechtvaardig blijft.

In geen geval toone men zich een „Joris goedbloed", of streve er naar door toegeeflijkheid de volksgunst te winnen.

Voor een dergelijke wijze van doen heeft een Chinees te eenen male geen ontzag.

Ook voor zijn goden — een Chinees is zeer bijgeloovig — koestert hij dezelfde gevoelens. Voor een goeden god zal hij minder respect hebben dan voor een kwaden, in de meening, dat de eerste onder alle omstandigheden, hoe weinig men zich ook aan hem laat gelegen liggen, toch steeds goed blijft; terwijl men voor een kwaden god wel degelijk moet oppassen, hem bij alle gelegenheden de noodige eer moet bewijzen, opdat hij niet de volle maat van zijn toorn op het ongelukkige slachtoffer doe nederkomen. Deze kinderlijke begrippen brengen zij in het dagelijksche leven op den mensch over. Het is dus noodzakelijk om de koelies en tandils op den noodigen afstand te houden. De laatsten vooral, waarmede een assistent den geheelen dag in aanraking komt en die de schakel tusschen hem en zijn koelies vormt.

Een Chinees heeft nu eenmaal de gewoonte, als men hem slechts een stukje van den vinger geeft, den geheelen arm te nemen. Men late zich als jong planter dan ook niet inpalmen door mooi-praterij van een schijnbaar zeer ijverigen tandil, die den toean de verzekering geeft, een of ander werk wel zelf te kunnen uitvoeren, zonder dat deze zich de moeite behoeft te geven het te komen nazien. In dergelijke geval-

Sluiten