Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En op de samenstelling van dat lichaam zou de bevolking invloed uit kunnen oefenen door een haar toe te kennen kiesrecht. Het ambtelijk element werd uitdrukkelijk opgenomen om te zorgen, dat in het bijzonder de belangen van de inheemsche bevolking in haar geheel tot hun recht zouden komen, waardoor evenwicht zou worden gebracht in de overwegingen en beslissingen van het college.

Dezelfde bevoegdheden zouden den Kolonialen Raad worden toegekend als door Mr. Fock waren voorgesteld, met uitzondering hiervan, dat de Staten-Generaal hare wijzigingsbevoegdheid t.a.v. cte door de Indische Regeering voorloopig vastgestelde begrootingsontwerpen ten volle bleven behouden.

Het kiesrecht voor de verkiezing van 11 niet-ambtelijke leden, werd toegekend aan locale raden of groepen; terwijl verder als lid in den Kolonialen Raad zitting zouden nemen de vice-president van den Raad van Indië, aan wien het voorzitterschap van dat college zou worden opgedragen, de leden van den Raad v. Indië, en 5 door den Gouverneur-Generaal te benoemen Hoofden van Gewestelijk Bestuur, 5 voorname niet-Europeesche ambtenaren en 3 niet Europeesche ingezetenen.

6. Door den «val van het Ministerie-Heemskerk onderging dit ontwerp geen verdere behandeling, maar wérd het in 1913 door Minister Pleyte ingetrokken, die den 21 en Mei een r.ieuw • ontwerp indiende, dat in hoofdzaak dezelfde richting had maar In onderdeden belangrijk verschilde.

Het kwam hierin overeen, dat ook thans een naast den Raad v. Indië staanden Kolonialen Raad zou worden opgericht, die een eenigszins vertegenwoordigend karakter zou dragen, daarin bestaande, dat de onderscheidene belangen zoo volledig en zoo goed mogelijk daarin zouden worden behartigd. Geheel in tegenstelling met zijn voorganger wilde Minister Pleyte echter niet weten van een ambtelijk element, dat er van rechtswege in behoorde te zijn, omdat naar zijn meening de belangstelling in de inheemsche bevolking en kennis van hare nooden zoomede gemeenschapszin niet het uitsluitend eigendom was van de dienaren van het centraal gezag. Toch was hij huiverig om het geheele aantal der leden, van den Kolonialen Raad (39) te laten verkiezen, maar achtte hij het noodig 19 leden (w.o. 14 Europeanen en 5 Inlanders) te doen benoemen door den G. Generaal, terwijl de andere 19 leden (10 Inlanders en 9 Europeanen) zouden worden gekozen door locale Raden. Aan rechtstreeksche verkiezing kon voorshands niet worden gedacht, maar wel meende de Minister

Sluiten