Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Knobel echter, te voren sterk in zijn meeningsuiting omtrent dit onderwerp ingeperkt, sprak nu uitvoeriger en wees ter verdediging van de verkiesbaarheid van de vrouw op den rol door Kartini hier gespeeld, op de verschillende redevoeringen van niet-Europeesche vrouwen op het onderwijscongres, op het feit dat bij de redacties van sommige Maleische bladen in Indië Inlandsche en Chineesche vrouwen werkzaam zijn en er zoodoende toe bijdragen om de openbare meening in onze Koloniën een zekeren vorm en leiding te geven en beriep zich o.m. tot staving van zijn meening op het praeadvies van den heer D. van Hinloopen Labberton op het 5de decentralisatie-congres te Semarang 1915.

Dr. Nolens kon in dit voorstel weinig anders zien dan „een soort van betuiging van goeden wil ten opzichte van dat vrouwenkiesrecht", maar achtte die niet op haar plaats in dit wetsontwerp.

Dr. Scheurer merkte op, dat deze wijze van wetgeving wel eigenaardig was, maar te begrijpen van iemand, die in de Memorie van Toelichting schreef, dat inderdaad de opneming van het passieve, vrouwenkiesrecht een levenskwestie is voor den Volksraad en dat wanneer het passieve kiesrecht niet in dit wetsontwerp wordt opgenomen, de Volksraad met onvruchtbaarheid kon worden geslagen, maar adviseerde toch maar het voorstel in te trekken.

Mr. Marchant wilde echter het denkbeeld niet zoo dadelijk loslaten en beweerde dat ten onrechte het vrouwenkiesrecht als in strijd met het inlandsche rechtsbewustzijn werd genoemd, wfjl bv. bij deze verkiezingen de vrouw het kiesrecht uitoefende, welke bewering hij tegenover Mr. Fock bleef handhaven. Hij beriep zich voorts op de uitspraak van Min. Cort van der Linden, die -toekenning van het passieve kiesrecht aan de vrouw als een weinig ingrijpende hervorming in het leven van de vrouw noemde.

Ook Mr. fock liet zich hooren, noemde de handelwijze van den Minister óm de vrouwenkwestie op te lossen „niet zeer gelukkig", vond dat door deze regeling verband werd gelegd tusschen het vrouwen-kiesrecht in Nederland en dat in Indië, dat noodzakelijk bij de behandeling van de Grondwetsherziening „een zeer onzuivere stemming en een zeer moeilijke beslissing ten gevolge zou hebben". „Immers men zal dan bij de overweging van de vraag, of men aan de vrouw het passieve kiesrecht zal geven voor de Staten-Generaal, ook geleid wbrden door zijn inzicht omtrent hetgeen men in Indië voor den Volksraad gewenscht acht.

Bovendien moet deze principieele beslissing niet worden uitgemaakt bij koninklijk besluit, maar door den wetgever, die de uitvoering van de in de wet neergelegde beginselen aan den Koning kan overlaten.

Ten slotte wees hij erop, dat al moge het waar zijn, dat na de InlandscheT gemeenteordonnantie van 1907 (St. No. 212) vrouwen, als bezitsters van bouwgrond, bij desaverkiezingen hebben gestemd, het toch niet aangaat voor het passief kiesrecht een beroep te doen op het actief kiesrecht, te meer niet, waar de vrouwen in de vorenbedoelde ordonnantie uitdrukkelijk niet verkiesbaar werden verklaard tot desahoofd. .

De heer v.an Veen vereenigde zich in hoofdzaak met het doorMr. Fockj aangevoerde. $9y>*?r,

Sluiten