Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nummer en

Autoriteit

AARD DER WERKZAAMHEDEN

75. Voorzitter Volksraad.

76. Gouv.Generaal.

77. Voorzitter Volksraad.

78. Voorzitter Stemkantoor.

79. Stemkantoor.

80. Volksraad.

Besluit de V.R. tot niet-toelating van de gekozenen wegens de ongeldigheid van de stemming in een of meer raadsgebieden, dan geeft de Voorzitter van den Raad van dit besluit onverwijld kennis aan den G.G.

Binnen 30 dagen schrijft de G.G. een stemming in de betrokken raadsgebieden uit, die binnen dienzelfden termijn moet worden gehouden en wordt de uitslag der verkiezing opnieuw vastgesteld, met toepassing van de artikelen 15 tot en met 24 Volksraadkiesverordening.

2o. op de al of niet juistheid van de vaststelling van den uitslag der verkiezing, door het Stemkantoor.

Indien - de V.R. besluit tot niet-toelating van een of meer der gekozenen wegens de onjuistheid van de vaststelling, geeft de Voorzitter van den Raad van dit besluit onverwijld kennis aan den Voorzitter van het Stemkantoor.

De Voorzitter belegt binnen 14 dagen na de ontvangst van die kennisgeving eene openbare zitting—maakt dagen uur daarvan vooraf in de fav. Courant bekend.

Het Stemkantoor stelt den uitslag—voor zoover noodig—opnieuw vast, met in achtneming van de beslissing van den Volksraad.

Art. 27 V. R. kiesverord. is van toepassing.

3o. of de gekozene al dan niet lid van den Raad kan zijn.

Lid van den Volksraad kunnen alleen zijn:

1. mannelijke ingezetenen van N. I.; die

2. den ouderdom van 25 jaren hebben vervuld;

3. den staat van Nederlandsch onderdaan bezitten;

4. geen gevangenisstraf of een zwaardere straf dan wel dwangarbeid hebben ondergaan, met uitzondering van vrijheidsstraf ter vervanging van geldboete of wegens overtreding van politie;

5. niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer 'over hunne goederen hebben verloren of van de verkiesbaarheid zijn ontzet;

. 6. niet op niet-eervolle wijze uit 's Lands dienst zijn ontslagen.

Naam en artikel der

Verordening.

Art. 32. V.R.

kiesverord. lid 1.

'dem lid 2.

Art. 26 Stem.

kant. ord.

AANTEEKENINGEN.

Dit is de belangrijkste reden van niet-toelating bij de periodieke aftreding. Immers het constateeren van onregelmatigheid ten deze heeft ten gevolge, dat de geheele verkiezing ongeldig wordt, van alle' gekozen leden. Doet dit geval zich voor, dan zal de V.R. voor datj jaar de begrooting niet kunnen behandelen.

Art. 41 V. R. kiesverord. bepaalt, dat het onderzoek van den geloofsbrief van hem, die gekozen is ingevolge een der art. 31, 33, 34 of 35 van dat besluit, zich niet uitstrekt tot punten, rakende de wettigheid van de verkiezing van reeds toegelaten leden. —Art. 32 wordt hier niet genoemd.

De nummers 35 — 45 gelden dan weder.

Art. 33 V.R. kiesverord. lid 1.

idem lid 2.

'dem lid 3.

Art. 42 V. R.

kiesverord.

Art

133 R. R.

Wat moet verstaan worden onder de uitdrukking: „met in achtneming van de beslissing van den Raad".

De zin is nogal duister. Zij kan toch niet bedoelen, dat het Stemkantoor slaafs de uitlegging of ineening van den V.R. heeft te huldigen? Het Stemkantoor zal zelfstandig moeten beslissen in hoeverre het den Raad zal hebben te volgen.

Voor de bekendmaking van den uitslag enz. zie nos45 —51

No. 1 mannelijk: de verkiesbaarheid der vrouw tot lid van den V. R. werd uitdrukkelijk verworpen en evenzeer werd verworpen het denkbeeld, dat de vrouwen in Indië benoembaar en verkiesbaar zouden zijn, wanneer in het moederland de vrouw het passief kiesrecht voor de Tweede Kamer zou verwerven. Zie blz : 49

No. 2 ingezetene : voor dit begrip zie bijlage: IV.

No. 3 25 jaar: dus 5 jaar lager leeftijdsgrens dan voor de kamerleden en den vice-president en de leden van den R. v. N. 1.

De leeftijd moet bereikt zijn op het oogenblik dat men als lid van den Raad wordt verkozen verklaard; zie art. 38 V. R. kiesverord. Zoo ook met de andere vereischten: ingezetenschap en Nederlanderschap.

No. 4 den staat v. Nederlandsch onderdaanschap: Zie bijlage V.

De vereischten van ingezetenschap en Ned.-onderdaanschap moet het V. R.-lid blijven bezitten gedurende het lidmaatschap. Verliest hij een van beide, dan zal de G.G. hem ontslaan, indien hij zelf geen ontslag neemt (art. 138 lid 2 R. R.).

No. 5 is ontleend aan 84 Gw. 1887. Is de in staat van faillissement verkeerende te begrijpen onder deze categorie? Dit twist-

Sluiten