Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ongenoemden gaan I. V. Vondels Verschelde Gedichten uitgeven. Slechts aan het slot kan Vondel aen zijnen afwezenden Vrient schrijven, dat hij de overige onder zijn naam verschenen gedichten niet voor de zijne erkent. „Ick verworp oock al wat, onder boven gemelde gedichten niet begrepen, oit door my ontijdigh voortgebroght, en op papier gekrabbelt, van mijnen vriend Pers, of iemant anders uitgegeven, den dagh onwaardigh, en den nacht der vergetenisse toegedoemt zy".

Onder die ter vergetelheid gedoemde hooren dan ook de hekeldichten. Terecht, nu hij alle christenen weer wil vergaderen in den schoot der moederkerk. Doch ook hem gaat natuur boven leer. Want als hij de papenhatende puriteinen in het engelsche parlement oproer ziet stoken tegen den gezalfden koning, moet hij hen wel hekelen in zijn Klaghte over de weerspannelingen in Groot Britanje, Morgenwecker der Sabbatisten, Het Radt van Avonturen en Mundus vult decipi. Weer vliegen hem tegen-schotschriften om de ooren. En als hij voor het derde eeuwfeest van het bekende mirakel schrijft zijn Eeuwgety der Heilige Stede, Aan d'oude Burgerij

Nu t eeuwgety van 't vierenswaerdigh wonder Zijn' derden ringk op heden toesluit, ronder

Dan goude pen of passer ronden sluit;

Zoo breek als bloessem uit In Lentemaent, met haer verquikte loten; O Burgery uit Gysbrechts erf gesproten

En noit veraert van uwen ouden struik,

In 't wettigh kerkgebruik,

maakt deze uitdaging „een heelen hoop van Onroomsche Rymers gaande" (Brandt). En Hooft schrijft aan van Baerle: „Vondel heeft een vers gemaakt op *t wonder waar af de Heilige Stee haaren naam draagt: en laat het openbaarlijk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelijk de voorvechters de messen in de luifen steeken, om de oogen van de voorbijgangers te tergen, als met zeggen: wie 't hart heeft, pluike. Mij deert des mans, die geens dings eerder moede schijnt te worden, dan der ruste". Een ondernemend drukker verzamelt dan al zijn losse gedichten met die zijner talrijke

Sluiten