Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meesters, die hem benoemen tot suppoost aan de bank van leening, zooals ook, vóór hem, een Valckenier was geweest, en wel op een jaarwedde van f 650, „meer, dan toen het inkomen van vele predikanten, zelfs in de steden . . . thans voor menig hooggeplaatst ambtenaar een begeerlijk salaris" {De Roever bij Dr. Leendertz bl. 325).

Zijn dankbaarheid toont hij door zijn treurspelen Jephta, Koning Edipus, Koning David in Ballingschap en Koning David Herstelt aan zijn beschermers op te dragen. Wel een bewijs dat zijn nieuwe ambt hem veel vrijen tijd laat. Of ook, dat hij veel verdriet heeft weg te werken ? Want in 1659 moet hij burgemeesteren verzoeken zijn zoon naar Indië te sturen, welke op de heenreis sterft. Hoe dit zij, naast zijn treurspelen dicht hij oranjeverzen, bruiloftsdichten, zegezangen, stichtelijke liederen voor geloofsgenooten, doch eveneens opwekkende zangen tegen den Turk, den erfvijand. Dan schrijft hij nog de bijbelsche treurspelen Samson en Adonias. Doch de predikanten, oordeelend dat Gods naam in den schouwburg ijdelijk gebruikt wordt, weten te bev/erken dat na 1663 Gods naam op het tooneel niet meer wordt uitgesproken *). Daar hij toch met zijn poëzie de hoogere regionen moet bereiken, schrijft hij, na „groot overleg en raadt van geleerde mannen", het leerdicht Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, Tegens d'ongodisten, verlochenaers der Godtheit of Goddel ij cke Voorzienigheit en het heldendicht Joannes de Boetgezant, en het jaar daarop (zijn zes en zeventigste!) den blijden lofzang De Heerlyckheit der Kercke, haer ingang, opgang en voortgang, en de treurspelen Batavische Gebroeders en Faëton of Reuckeloze Stoutheit.

In de hoop dat dit stuk den nieuwen schouwburg zal openen, evenals zijn Gysbreght dit den vorigen deed, dicht hij Adam in Ballingschap, of aller treurspelen treurspel, dat echter niet vertoond wordt. De piëtistische

l) Welke ergerlijke tekstverknoeiïngen in de Gysbreght de vrucht waren van dit verbod toont L. Simons in zijn Studies en Lezingen 1911 (bl. 314/6).

Sluiten