Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerk, niet alleen aan die kerk veel afbreuk heeft gedaan, maar ook den indruk kon maken aan de zijde der Henrorming te staan. Doch het is niet juist, te zeggen, dat hij uit vrees of lafhartigheid is teruggekeerd van een weg, dien hij, om de gevolgen, niet ten einde durfde loopen, en dat hij, waar hij zijn verknochtheid aan de R.-Kath. kerk uitspreekt, zijn beginsel zou hebben verloochend of zijn diepste overtuiging geweld aangedaan. Hij verklaart zelf (in 1525), ten opzichte van zijne houding jegens de R. keik en de Reformatie : tot nog toe heb ik mij evenmin door vleierij als door dreigingen of door scheldwoorden van beide partijen van mijn plaats laten dringen. Dat zal iemand misschien voorzichtigheid noemen, eer dan standvastigheid . . . Toch, mijn geweten heeft mij weerhouden, geen vrees". En wij mogen het ervoor houden, dat hij hierin de waarheid spreekt.

Bovendien ligt in Erasmus' ganschen geestes-aanleg de verklaring voor de houding, die hij aannam, en die niet aan min-edele motieven toegeschreven, of louter uit vrees en dubbelzinnigheid mag verklaard worden. Hem kenmerkt een zekere skepsis, waardoor hij den gloed eener vaste overtuiging mist. Innerlijk was hij los van de leer der kerk, die in zijn gemoedsleven geen weerklank vond, en waarvan hij voor zijn denken evenmin de beteekenis inzag. Zoo kan het gebeuren, dat hij telkens tot uitingen komt, die hem onder de verdenking van ketterij brengen, een verdenking, die hij door zijne omzichtige wijze van uitdrukking weet af te wijzen, en door betuiging van onderworpenheid aan de kerk en hare leer neutraliseert. En niettemin bleven de monniken hem beschouwen als hun doodelijken vijand. Zij gevoelden, als bij instinct, alhoewel hij in zijne afwijkingen van de leer geen vat op zich gaf door de voorzichtigheid van zijne woordkeus, dat toch de gansche geest van hetgeen hij leerde aan Rome vijandig was.

Zoo geeselt hij wel misbruiken, en wijst misstanden aan; maar in de ontaarding, waarop hij zijn aanvallen richt, treft hij de zaken zelf, en werkt hij ertoe mede dat deze voor veler besef haar beteekenis verliezen.

Sluiten