Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het licht zag, werd toen door hem opgesteld '); in zijne Beschouwingen over Staat en Volkenrecht, in 1834, beproefde hij voor het eerst eene wetenschappelijke ontwikkeling zijher beginselen 2), maar ook eene voortzetting der „Nederlandsche Gedachten" te geven; opwekking van Christelijk geloof, van werkzame vaderlandsliefde, van plichtmatige gehoorzaamheid aan wettig gezag, van billijke waardeering eener vrijheid die zeer wel of liever die alleen met zoodanig gezag vereenigbaar is. Zij rustten op dezelfde grondslagen, geopenbaarde waarheid en historische wezenlijkheid 3). Hetzelfde geldt van de vijf en zestig groote en kleine geschriften van zijne hand, die daarop gevolgd zijn; van zijn dagblad ,,De Nederlander"; zijn parlementaire arbeid en zijne historische werken 4). Ook daarin zou hij voortaan spreken als Christen en Protestant 6)« Eer mij — schreef hij, weinige jaren voor zijnen dood, — de toegang tot het Huisarchief werd verleend, had ik de geloof staal der 16e eeuw leeren verstaan. Voor de N e g e ntiende als voor de Zestiende zocht ik toen reeds, tegen ongeloof en bijgeloof, waarborg van weerstand en overwinning in de wapenrusting Gods en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods woord6). Eer ik de schatkamer der Historische brieven binnentrad7) , had ik mij aangesloten bij de Sec te die altijd en overal wederspraak ontmoet. Bij de christelijk-historische partij, die op het Anker der ziele steunt en door alle eeuwen stand houdt8).

') Ned. Ged. 1873, pag. 348.

-) Brieven van Mi. J. Da Costa, Dl. I, pag. 6.

') Voorrede.

4) Ned. Ged. 1873 pag. 353. s) Handboek. Voorrede pag. VII. •) Ned. Ged. 1573 pag. 346.

7) Nu volgde, na een hartverscheurend verlies, eene krankheid die doodelijk scheen. Een reis naar Zwitserland tot aanvankelijk herstel, en toen, aan het einde van 1833... terugkeerde tot een levensfeer belangrijk en vereerend voorzeker, doch helaas I ontdaan van het exceptionele waardoor ze mij, als leerschool en als strijdperk, tot uitnemenden zegen was. En toen ... een verrassing! Een rede tot een, meer dan ik zelf nog vermoedde, onuitsprekelijken dankt Nauwelijks was ik, al zuchtend tot de menigerlei documenten van de administratoren rasmolen wedergekeerd, of ik werd, zonder ambtgenoot, belast met het toezicht van het Huisarchief. (Ned. Ged. 1873 pag, 167.

8) Ned. Ged. 1873, pag. 357.

Sluiten