Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft vaak de opmerking gemaakt — en zij is van onzen tijd te verwachten — dat de oud-Hollandsche schilders, zooals Steen, Ostade, Teniers, het volk dat zij zoo goed kenden, niet anders den bij feesten en maaltijden, zoo niet bij gelagen hebben afgebeeld, en nooit of nimmer bij den arbeid. Het verschijnsel is teekenend, niet voor de individuen elk voor zich, doch voor den tijd. Men kan, geloof ik, veilig zeggen, dat eerst de negentiende eeuw de tragedie van den arbeid heeft ontdekt — ontdekt als artistiek motief. Ik zag nog nooit een bevredigend antwoord gegeven op het waarom, hoe vaak het ook gesteld is, en hoezeer het in onzen gedachtenlijn voor de hand ligt. Misschien is de oplossing wel eenigszins hierin te vinden, dat eerst de bespiegeling zich bewust gaat bezig houden met de noodzaak die den mensch tot werken en zorgen drijft, dat dit werken en zorgen voor de naïever geesten een vanzelfsprekendheid is, en het hun niet invalt in zulke vanzelfsprekendheden een tragedie te zien. De belangstelling voor de volksziel die in Jan Steen en anderen toch ook liefde is geweest, wierp zich op die handelingen, die gemeenschappelijk werden verricht, waarbij de enkellingen tot elkaar kwamen en het leven gezamenlijk aanvaardden en sleten; dit waren de samenkomsten van feestelijken aard. Als een Jan Luyken iets later het ambacht gaat afbeelden, dan is het niet met meewarigheid of ontroering om het sloven en de zorg; dan is het slechts met waardeering voor den adel van het scheppen der dingen. Het is niet mijn taak, mij te verdiepen in de vraag, welke levensbeschouwing de schoonere is, die van het klassieke tijdperk waarin het feest als sterkste manifestatie van menschelijkheid in samenzijn werd verheerlijkt, — of die van onze cultuur die juist in den arbeid met zijn spanning en zijn kommer, den arbeid van enkelling of dien der groepen het leven voor alles tracht te speuren. Ik constateer slechts. Meer kan men niet doen in een beschouwing, die de groote kunstenaars, bier besproken, slechts heeft te zien in het licht van hun tijd, die zeer zeker, welke ook zijn tekortkomingen mogen geweest zijn, sterk was en zichzelf genoeg.

Sluiten