Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit zeggen van Da Costa karakteriseert zijn jeugd.

Eénig kind van teedere en edele ouders, ontving hij een zorgvuldige opvoeding, waarvoor hij zijn leven lang erkentelijk bleef, getuige zijn: „Aan mijn Vader":

'k Loonde met geen aardsche schatten,

met geen wereldheerschappij, al uw zwoegen, al uw pogen

in de vorming van mijn jeugd, immer zwevend voor mijn oogen,

met het voorbeeld van uw deugd.

En toch klaagde hij „Aan Bilderdijk":

... die kindertijd, voor andren zoo vol zoetheid, was mij een bronwel van verteerend boezemleed;

en 't rusteloos gevoel, dat toen mijn ziel bezwaarde, bleef, drukkender dan ooit, mijn sombre jonkheid bij.

Die somberheid was hem aangeboren.

Isaac Da Costa zag nl. het levenslicht te Amsterdam op 14 Januari 1798.

En de oude heer Da Costa, een geacht handelsman in de hoofdstad, maar aartsvijand van den Franschen Revolutiegeest, voelde zich niet thuis in de Bataafsche Republiek van dien tijd. Behoorende tot de aristocratie der Portugeesche Joden, had hij de inlijving der Joodsche natie, een jaar tevoren, met leede oogen aangezien. Zoo leefde hij geïsoleerd, ontevreden over den gang van zaken in de wereld.

Mede tengevolge van deze teruggetrokkenheid zijns vaders, werd Isaac zooveel mogelijk teruggehouden van omgang met andere knapen. Zijn eenige speelmakker was de zoon van zijns vaders compagnon en bloedverwant, de jonge Abraham Capadose.

Beide joodsche geslachten, de Capadose's en de Da Costa s, waren in de zeventiende eeuw uit Portugal naar Amsterdam gevlucht.

Volgens een overlevering sproten de Portugeesche Joden nog uit den stam van Juda en het huis van David, en hadden zij zich reeds ten tijde van de Babylonische ballingschap in het Spaansche schiereiland gevestigd. Het was daarom voor Da Costa in later dagen geen geringe oorzaak van blijdschap,

Sluiten