Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te mogen aannemen, dat zijn voorvaderen reeds in Spanje verkeerden tijdens de kruisiging van Jezus Christus, en dus niet mede bewilligd hadden in den raad der Jeruzalemsche synagoge, ja volgens aloude overleveringen zich door hun Rabbijnen zelfs tegen het vonnis van het Sanhedrin hadden verklaard.

In Portugal waren vele Joodsche families tot den ridderstand verheven en verwierven zij zich een adellijk wapenschild. En Da Costa beroemde er zich meermalen op, dat hij niet alleen Israëliebsch-koninklijk, maar ook Spaansch-ridderlijk bloed in zijn aderen droeg.

Hij dankte aan zijn vader:

't Bloed vooral, dat in mijn aderen

met een deel uws aanzijns vloek; kostbaar erfdeel onzer Vaderen,

die, met Oostersch vuur doorgloeid, daar, waar Taag en Iber vlieten,

eenmaal schitterden op de aard, en wier grootheên ons verlieten;

doch — hun eer bleef nog bewaard I

Het geslacht Da Costa was een vervallen grootheid.

Na hun komst in Holland bleven de Da Costa's kooplieden van subaltemen rang. Maar Batseba Da Costa, een zuster van Isaacs vader, huwde met Dr. Immanuel Capadose, den koninklijken geneesheer, eerst in dienst van Willem V, later lijfarts van Lodewijk Napoleon, en door dezen vereerd met de benoeming tot Ridder der Orde van de Unie. Oom zoowel van Abraham Capadose als van Isaac Da Costa, vormde hij het natuurlijke verbindingslid tusschen zijn twee jonge neven, wier ouders echter over en weer op gespannen voet leefden, en hun best deden om ook de kameraadschap tusschen de beide jongens te bederven.

Tot de streng-orthodoxe Joden behoorden geen van beide families, maar allerminst die van Capadose. De opvoeding van Abraham was dan ook volstrekt niet godsdienstig. Doch Isaacs moeder was een gemoedelijk-vrome vrouw. En zijn vader hield, misschien ook wel uit reactie tegen de verwaarloozing van het geloof in het huisgezin der Capadose's, streng toezicht op de vervulling der godsdienstplichten in eigen huis.

Sluiten