Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe klinkt nog in ons ooi de zuivre vreugdezang, door 't afgemarteld volk, na jaren ramp en dwang, van 't fiaatlijkst monster vrij, met duizenden van tongen, O Vorst van Nederland, bij uwe komst gezongen! Toen zwoert ge, o Hollands volk 1 met een onschendbren eed, dat gij de ketens, door den dwingeland gesmeed, alom vernielen zoudt. Wil, wil dien eed gedenken, en, vrij, aan andren ook de vrijheid helpen schenken. ' "O Gij, die met één wenk 't oneindig Al regeert! Gij, wiens onperkbaarheid, al wat bestaat, vereert! Hergeef Euroop de rust, zoo lang bij haar verloren, verlos haar van 't gedrocht, tot hare straf geboren, en droog de stroomen van 't gestorte menschenbloed! Door eeuwen vrede zij de afgrijsbre krijg vergoed! 't Geluk herrijz' voor ons na zooveel tegenheden, en Neêrland bloeie wéér door Eendracht, Moed, en Zeden!"

Was dit niet als een echo op Bilderdijks profetie tijdens de verdrukking?

Holland groeit weer!

Holland bloeit weer! Hollands naam is weer hersteld!

Holland, uit zijn stof verrezen,

Zal opnieuw ons Holland wezen; Stervend heb ik 't u gemeld!

Met dezen blijden zang had Bilderdijk in 1811 de wedergeboorte van Holland geprofeteerd. En inderdaad, door de afzwering van Napoleon en de begroeting van den Prins van Oranje als Souvereinen Vorst was ons volksbestaan in zekeren zin herboren, en scheen de profetie van Bilderdijk vervuld.

Maar Bilderdijk zelf zou het ondervinden, dat men, ook bij verschil van toepassing, aan het beginsel der Revolutie gehecht bleef. Al was het officieele banvonnis vernietigd, Bilderdijk bleef balling, ook in zijn eigen land. Want terwijl men er in Noorwegen ernstig over dacht om hem aan de Universiteit te Christiania het onderwijs in het Romeinsche Recht op te dragen, had Nederland voor zijn grootsten burger geen leerstoel over.

Reeds vroeger, in 1805, was dat gebleken, toen pogingen werden aangewend om Bilderdijk aan het Franeker Atheneüm voor een professoraat in het Staatsrecht te benoemen. En nog vóór het einde van 1815 bleek het opnieuw, toen er te Amsterdam een leerstoel voor Vaderlandsche Geschie

Sluiten