Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toch was er voor zulk een grooten geest aan geen onzer universiteiten een plaats; wat Potgieter, in zijn Rouwzang op Da Costa deed klagen:

Een leerstoel voor U? U, den leidsman der dwaling 1 Onz' jeugd, met vernuften tot meestem, uw buit!

Het hof om te rusten, benoemd bij herhaling,

Voor wien niet al plaatse? Slechts u sloot het uit!

Evenals Bilderdijk, werd ook Da Costa van een heusch professoraat uitgesloten.

En wel stelde in 1852 de Vrije Schotsche Kerk hem aan tot leeraar van haar Seminarie voor Evangelisten en Zendelingen te Amsterdam; maar hier kon Da Costa toch niet al zijn geniale kracht ontwikkelen, omdat deze jongelieden veelal een wetenschappelijke opleiding misten.

En zoo bleef Da Costa dan gedurende het grootste deel van zijn leven een ambteloos burger, zonder een maatschappelijke positie, die bij zijn geniale gaven paste. „De toongevende wetenschap", zoo schreef D. Chantepie de la Saussaye, „heeft den dilettant-theoloog wel als dichter willen vereeren, maar op het gebied der wetenschap voor onontvankelijk verklaard. Nu ja", zoo gaat Saussaye dan voort, „de methode van Da Costa te willen aanprijzen en navolgen, zoude de ongerijmdheid zelve wezen! Maar sinds wanneer is genialiteit gebannen van het gebied der wetenschap? Kan de ordenende, de schiftende hand des bouwmeesters het oog des zieners missen, dat het terrein, waarop de bouw moet geschieden, met éénen blik overziet?

Trouwens, de openbare voorlezingen, door Da Costa twintig jaren achtereen wekelijks gehouden, eerst in de zaal van het Leesmuseum voor heeren alleen, daarna voor een gemengd gehoor in het zoogenaamd Wapen van Amsterdam, hebben wel bewezen dat bij wat te zeggen had. „Altijd was de zaal gevuld. In den aanvang waren velen bevreesd om er te komen. Zij wilden tot geen prijs voor Dacostianen gehouden worden. Maar langzamerhand week de onredelijke schroom, en eindelijk zag men de eerste familiën der hoofdstad plaats nemen onder de dichte rangen van zijn gehoor. Ik twijfel of

Sluiten