Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenig spreker in den lande, hoe welsprekend thans ook en gevierd, ooit op zulk een zegepraal zal kunnen bogen. — Da Costa dankte deze zegepraal aan zijne onuitputtelijke genialiteit, maar ook, en misschien in de allereerste plaats, aan zijn diepe, zijn onomstootelijke overtuiging" (A. Pierson).

En toch, juist om zijn overtuiging werd hij uitgesloten. Zijn Bezwaren heeft men hem nooit kunnen vergeven. Ze hadden hem voor goed onmogelijk gemaakt in de groote maatschappij. De ondervinding zijner jeugd bleef de ondervinding van zijn gansche leven: „bij menschen uitgesloten te zijn".

Zóó heeft Da Costa ruimschoots zijn deel gehad aan „de smaadheid des kruises .

Maar hij droeg het als een christen. Dat kwam vooral uit aan zijn sterfbed.

Waarop van geen menschen miskenning hij klaagde

Waarop hij een stervende martelaar scheen, Die blij van zijn Heer en zijn Heiland gewaagde,

Maar zegende wie hij het felst had bestreénl

Was Da Costa een groot man? zóó vroegen we ter inleiding.

Ten besluite kunnen we nu antwoorden met Beets:

Een geest, te groot om zich te sparen,

Om zich te onttrekken aan den vloed Die op hem aanstormt met zijn baren,

En die met koninklijken moed De boosheên die de lucht doorwaren Om hart en hoofden in te varen,

De kracht aan zich beproeven doet; Een geest die in de drift der jaren

En in der dingen wervelkring Onwankelbaar op 't punt blijft staren

Van waar hij al zijn licht ontfing; En zonder voor den storm te buigen

Die alles meesleept in zijn vaart, Van ééne waarheid blijft getuigen

Die zegevieren zal op de aard, In wiens triomf reeds de Englen juichen

Sluiten