Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat Grotius in zijn „De jure belli ac pacis" heeft neergelegd, 't zijn de erkende beginselen van privaat- en strafrecht, doch thans niet op de personen, wel op de Staten als personen toegepast. Vandaar dan ook, dat zijn beroemd werk in drie deelen, nevens datgene wat wij op dit oogenblik als zuiver volkenrecht erkennen, eene theorie bevat van zoodanig privaat- en strafrecht, die ons nu toeschijnt buiten het gebied van het volkenrecht te liggen, al zal zij in de gemeenschap der Staten geen onverschillige rol spelen. Mocht echter dat bestaande recht geschikt heeten voor de nieuw ontdekte toepassing, die Grotius meende daaraan te kunnen geven, dan moest het tegelijk worden ontdaan van al het toevallige en plaatselijke; en dat hem dit gelukte, kan moeilijk worden betwijfeld, want ook nu nog treft ons elk oogenblik, wanneer wij dat merkwaardig werk doorlezen, hoezeer zijn gedachten omtrent het verband, de beteekenis en den eigenaardigen grond der rechtsregelen niet anders zijn dan de uitdrukking van de beste wijsheid van dezen tijd, tot ons gekomen na twee en een halve eeuw van voortdurend onderzoek. Doch tevens had Grotius de vraag te beantwoorden op welke gronden de overbrenging van die erkende beginselen van privaat- en strafrecht op zijn nieuw ontdekte rechtssubjecten, de souvereine Staten, geschiedde, op welke vraag hij het antwoord heeft gevonden door eene toepassing van het natuurrecht, hetwelk daardoor een nieuwe periode voor zich geopend zag. Naar het voorbeeld van de Grieken en Romeinen nam men immers aan, dat de redelijke natuur van den mensch hem voorschrijft wat te doen en te laten is, welk natuurrecht noodzakelijk gelijk moest zijn voor alle menschen. Zoo had Grotius slechts aan te toonen, dat de rechtsbeginselen, welke hij voor den opbouw van het volkenrecht noodig had, door de menschelijke natuur zelve waren ingegeven teneinde, buiten alle uiterlijk gezag om, aan zijn volkenrecht een grondslag en een bindend karakter te geven. Wij verwerpen Grotius' toepassing, niet om de eenzijdige beschouwingen welke er aan ten grondslag strekten, maar wijl wij verwerpen het gansche natuurrecht, en integen379

Sluiten